‘Sinds het einde van de Koude Oorlog hebben westerse legers zich gericht op expeditionaire campagnes’, zegt Kris Quanten, hoogleraar krijgsgeschiedenis aan de Koninklijke Militaire School. ‘De nadruk lag op lichte, mobiele eenheden, die in combinatie met luchtsteun snel konden oprukken. Tanks hadden daarin, zo dacht men toch, geen plaats meer.’
Aanvankelijk leek die conclusie ook tijdens deze oorlog de juiste. Tijdens de eerste dagen van de Russische invasie werden enorme aantallen Russische en Oekraïense tanks vernietigd. Mobiele antitankwapens zoals de Javelin, die Oekraïense infanteristen vanaf hun schouders op tankkolonnes afvuurden, bleken behoorlijk effectief tegen de verouderde Sovjettanks die het Russische leger voornamelijk inzette. Volgens Oryx, een blog die via opensourceonderzoek de krijgsverrichtingen in Oekraïne opvolgt, verloor het Russische leger sinds het begin van de oorlog minstens 1646 tanks.
Maar dat is niet het hele verhaal. Dat de Russen in de beginmaanden van de oorlog zo veel tanks verloren, had in de eerste plaats te maken met gebrekkige planning en slecht onderhoud. Daardoor ondervonden Russische tanks extra hinder door de befaamde Oekraïense bezdorizjzja, het modderseizoen waarin grote hoeveelheden regen de wegen moeilijker begaanbaar maken. Toch bleken tanks absoluut cruciaal bij de Oekraïense heroveringen vanaf september. ‘De manier waarop tanks in dit conflict worden ingezet, bewijst vooral het belang van combined arms warfare’, zegt Frederik Mertens, die als strategisch analist voor het Haags Centrum voor Strategische Studies een evaluatie schreef over het eerste jaar van de oorlog. ‘Moderne legers kunnen alleen functioneren als ze bescherming krijgen van infanterie, artillerie en luchtverdediging. Je kunt het het best vergelijken met een orkest: zonder teamwork lijkt het nergens naar. Maar de tank blaast wel degelijk de hoofdhoorn.’