De regering-De Wever trekt die leeftijdsgrens niet verder op. Maar het pas bereikte zomerakkoord verstrengt wel de voorwaarden om vervroegd met pensioen te kunnen, waardoor het voor minder mensen een optie wordt.
In principe kan iedereen vervroegd met pensioen, als die voldoende jaren gewerkt heeft. Wie bijvoorbeeld op de leeftijd van 63 wil afzwaaien, moet vandaag een carrière van minstens 42 jaar gehad hebben.
In de praktijk hebben ambtenaren vaker toegang tot een vervroegd pensioen. Meer dan negen op de tien ambtenaren heeft er recht op. Bij werknemers is dat acht op de tien en bij zelfstandigen vijf op de tien. Voor veel ambtenaren geldt immers een voordelige berekening: elk jaar dat ze gewerkt hebben, telt voor 1,05 mee, waardoor 40 werkjaren voor 42 tellen. Voor sommige ambtenaren gelden nog andere uitzonderingen: zo kunnen treinbestuurders en militairen nog steeds vanaf 55 en 56 jaar met pensioen. Die leeftijd wordt in het nieuwe zomerakkoord geleidelijk opgetrokken tot de pensioenleeftijd die voor iedereen geldt.
De kloof tussen ambtenaren en de rest van de bevolking blijkt enorm. 70% van alle ambtenaren gaat voor 65 met (vervroeg) pensioen tegenover 46% van werknemers en 23% van zelfstandigen. Ik verschoot zelf van die cijfers. Er is nog veel werk aan de winkel daar.
