Over lijvige boeken (en recensies, waarvoor mijn excuses) gesproken:
Thomas Mann –
Jozef en zijn broers
Verandering van spijs doet eten, zegt men. Het (weliswaar bijzonder smakelijke) tussendoortje dat
Vaders en zonen was, met moeite meer dan 200 pagina’s, moest dus noodzakelijkerwijs worden opgevolgd door een hoofdschotel om U tegen te zeggen. Wanneer dan zo lyrisch wordt gesproken over
Jozef en zijn broers door onze eigenste
@Avondland, kan een gulzigaard als ik (Boland zou mij wellicht een Hollebolle Gijs noemen, maar hij kan me de bout hachelen), met een voorliefde bovendien voor zowel het Oude Nabije Oosten als de Bijbelse mythen en hun universele waarheden, dan aan die noodlottige verlokking weerstaan?
Kennelijk niet.
Ietwat schuchter begon ik aan de dis, want deze Leviathan van een werk telt niet minder dan 1350 pagina’s en dient dan ook nog eens een verhaal op dat iedereen eigenlijk al kent. Een al te uitvoerig voorwoord door de auteur wordt meteen gevolgd door een nog langdradigere inleiding, door Mann met slechts een zweem van ironie een ‘voorspel’ genoemd. Vraag mij niet wat het verschil is tussen de twee, want ik weet het niet. Terwijl ik mij hier doorheen ploeterde, begon ik steeds meer te vrezen dat de ogen groter waren geweest dan de maag. Halfweg de inleiding zat ik immers al met een halve indigestie, terwijl ik van het eigenlijke hoofdgerecht zelf, dat dan ook nog eens uit vier delen bestaat (of gangen, zo u wilt), nog geen woord had gelezen. Een kwestie van slikken en doordoen.
Tot mijn relatieve opluchting was ‘de rest’, om het nogal misplaatst uit te drukken, een weliswaar lijvig maar voor het grootste deel toch uiterst genietbaar relaas. Een pageturner wil ik het niet noemen, maar
De verhalen van Jaäkob, die ringeloort en zich laat ringeloren, gingen in vergelijking met al het voorgaande uiterst vlot binnen. Vooral het hoofdstuk ‘Dina’ vormt een vroeg en welgekomen hoogtepunt. Met hernieuwde goesting las ik vervolgens over de levenswandel – of beter: misstappen – van
De jonge Jozef. Uitvoerig (uiteraard) wordt beschreven hoe die zichzelf als een rasechte
fils à papa ernstig in nesten werkt door een al te grote mond en een nog grotere eigendunk. Wie durft nog zeggen dat Bijbelse verhalen geen hedendaagse relevantie hebben?
De twee laatste delen,
Jozef in Egypte en
Jozef de voorziener, zetten deze goede lijn onverwijld verder, en meer dan dat. Een bijzonder hoogtepunt is het gesprek tussen onze protagonist en Farao. Dat de keuze voor deze laatste op Akhenaten, de beroemde ketter, is gevallen, is een spitsvondigheid die het geheel extra theologisch piment geeft. Ook de grote finale, de driedubbele confrontatie tussen de gebroeders en alles daaromheen, is zinderend en van buitengewoon hoog niveau.
Thomas Mann zal nooit mijn favoriete schrijver worden, maar je kan er niet omheen dat hij met elk woord een fenomenaal, onbeschrijflijk, en bij momenten ronduit onuitstaanbaar talent uitstraalt. De man is een genie van het gruwelijk zelfbewuste soort. Zoals ook bij
De toverberg het geval was, heb ik verschillende passages twee, drie, zeven keer opnieuw moeten lezen, om dan uiteindelijk tot het tot nederigheid stemmende besluit te moeten komen dat ik ze eenvoudigweg niet snapte. Dat de auteur het naar het einde van zijn monumentale werk toe dan niet kan laten om zich tegenover de lezer zogezegd te verontschuldigen en te rechtvaardigen voor zijn naar eigen zeggen al te samenvattende vertelling, maakt de vernedering compleet, en mijn eigenste val in de put een feit.
“Bij het schone feest van vertelling en weer tot leven wekken speelt inkorten een belangrijke en onontbeerlijke rol,” zo heeft hij onder meer het lef te schrijven - mijn gat! Mann herhaalt zijn vele ideeën talloze keren, telkens net iets anders verwoord in al te lange formuleringen waarmee hij in oneindige cirkels rond de kern blijft draaien. Bij herhaling om horendol van te worden, maar wat is diezelfde kern anderzijds bijwijlen, wanneer we er dan uiteindelijk toch in alle helderheid zijn aanbeland, o zo universeel en wondermooi! Mann doet je verzuipen in een zee van mooie maar overbodige woorden en reeds al te vaak herhaalde zaken, om je dan te langen leste een prachtige reddingsboei toe te werpen. Vaak nog net op tijd, evenzo meestal gewoon te laat naar mijn goesting.
Het mythische en het alledaagse worden doorheen het volledige boek lustig met elkaar vermengd, als het onderscheid tussen beide zelfs niet geregeld met nadruk wordt ontkracht. Hier zit echter een spanningsveld: de verschillende personages hebben ieder hun eigen karakter, sterktes en zwaktes, en in die zin worden ze zeker niet weinig uitgediept ten opzichte van het bronmateriaal. Maar wanneer ze aan het woord komen, spreken ze al te vaak met één en dezelfde, welbespraakte en al te plechtstatige stem. Het voegt toe aan het mythologische karakter van de roman en maakt hem enigszins bovenmenselijk, wat zowel jammer als noodzakelijk is. Je leert de oudheid kennen en haar volkeren, en ook wel
de mens, maar niet per se de
mensen. De keerzijde hiervan is dan weer dat wanneer sommige personages per uitzondering dan toch eens uit hun rol vallen, dit een heel komisch effect heeft.
Beeld je even in dat we elke forumpost hier ooit geplaatst zouden aanpassen naar mijn (of gelijk wiens) pen en stijl, zonder de inhoud te veranderen. Hoezeer ik mij soms erger aan sommige pennen en stijlen, en anderen ongetwijfeld aan die van mij, dat zou toch een groot verlies aan menselijkheid betekenen!
De wereld van Jozef ademt dus mythische authenticiteit, en Mann geeft naast zijn hierboven bezongen en vervloekte schrijftalent ook nog blijk van een immense belezenheid in de oude geschiedenis, die hij over het algemeen op onnavolgbare wijze tot leven brengt. De weelderige beschrijvingen spreken zeer tot de verbeelding, maar er zijn ook zeldzame missers: ijzer in de bronstijd, ocelotten in Mesopotamië, en dan vergeet ik er nog wel enkele. Mogelijk zijn deze te wijten aan de vertaler, die zich voor het overige echter buitengewoon goed heeft gekweten van wat een absolute kutjob moet zijn geweest.
Samengevat:
Jozef en zijn broers is monumentale, zware kost, die traag op gang komt, en het enige vijfsterrenboek dat ik eigenlijk niemand durf aanbevelen. Ieder moet voor zichzelf maar uitmaken of ze zulk een onderneming zien zitten. Vol bewondering als ik ben, zal ook ikzelf niet snel nog iets van Mann lezen. Wat volgt is slechts platte rust, terwijl ik alles verteer.