Mijn vriendin heeft mij verlaten omdat ik—houd u vast - boer, mijn bakkes veu 95% besmeurd is met stoofvleessaas en mayonaise EN gromgeluiden maak tijdens het fretten van mijn frieten. Alsof dat geen oeroude mannentraditie is, doorgegeven van vader op zoon, van frituur tot frituur.
Wanneer ik frieten eet, dan eet ik niet. Ik jaag. Mijn kaak werkt als een graafmachine, mijn maag zingt strijdliederen, en mijn boeren zijn de overwinningshoorns van een Viking. “Befferke,” zei ze, “het is onbeschaafd.” Onbeschaafd? Ik noem het authentiek. Ik noem het puur natuur. Ik noem het: mijn identiteit.
Ze wilde stilte aan tafel. Ik breng geluid. Ze wilde servetten. Ik gebruik mijn mouw, want een beest kent geen porseleinregels. Ze wilde rust. Ik breng de donder. En ja, soms een grom, diep uit de borst, wanneer een friet bijzonder krokant is. Dat is geen geluid, dat is een compliment aan de fucking friet.
Ik ben Befferke: stoer, macho, een man die zijn frieten recht in de ogen kijkt en zegt: “Gij of ik.” En altijd win ik. Da ze haar godverdoemesedevervlijmenste bitch ass snowflake Chocoprins gaat zoeken in de betoverende sneeuwbos van Narnia.
Dus ik laat haar gaan. Ik zit hier, alleen misschien, maar nooit zonder frieten.