1.3 Problemen van links.
1.3.1 De paradox van het socialisme.
Hoewel het socialisme in theorie lovenswaardig lijkt, is het verstandig om enkele kanttekeningen te maken. De gedachte van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid kan sommigen misschien aanspreken, maar persoonlijk heb ik mijn twijfels.
Wanneer men stelt dat socialisme een plausibele ideologie is, gaat men er de facto van uit dat altruïsme bestaat; dat “goede mensen” het beste met elkaar voorhebben, los van eigen voor- of nadeel, en daar dan ook moeten naar handelen. Van waar kan men anders de sociale en solidaire gevoelens verklaren?
Dat altruïsme een illusie is, is een mening die de meeste mensen wanneer ze eerlijk zijn waarschijnlijk wel met mij delen, hoewel men zich er niet populair mee maakt door het te erkennen. Kan men nog van altruïsme spreken wanneer men zichzelf een beter mens voelt omdat men iemand helpt, en diegene die verkiest dit niet te doen met de vinger wijst? Of wanneer men, bij anderen of voor zichzelf, zich erop beroept een goed mens te zijn omdat men zich “voor anderen” inzet?
Ook de zogenaamde socialistische solidariteit heeft dus 2 gezichten. Hoewel de voorstanders zich graag beroepen op hun gemeenschapsgevoel, en diegene die dit niet zo zien van egoïsme beschuldigen, kan men zich ook afvragen of net de socialisten niet het toppunt van egoïsme belichamen.
“Ik heb minder dan u, dus u moet voor mij maar betalen met geld dat u verkregen hebt, door geluk of ondernemingszin, of een combinatie van beiden, en waar ik binnen de grenzen van de logica geen enkel recht op heb”.
Het toppunt is het aura van zelfgenoegzaamheid en superieure moraal die men zichzelf in één beweging aanmeet bij het verkondigen van de socialistische gedachte.
De enorme populariteit van het socialistische gedachtegoed is dan ook eenvoudig te verklaren vanuit de menselijke natuur, die niet uitgaat van altruïsme maar van egoïsme. Het is in mijn ogen echter immoreel om dit egoïsme tot uiting te brengen onder het mom van solidariteit. Zo lang een ander het moet betalen kan het allemaal geen kwaad.
De baarlijke duivel; “het patronaat”, wordt systematisch veroordeeld van egocentrisme (net de essentie van zij die het met de vinger wijzen), waarbij men gemakkelijkheidshalve vergeet dat het net dankzij de werkgevers en hun ondernemingszin en de daaraan verbonden risico’s is dat de werknemers een job hebben.
Een wereld vol socialisten; hoeft het veel betoog dat het faliekant zou aflopen? De geschiedenis kan ons zoals gewoonlijk ook hier enkele belangrijke lessen in leren.
Geef de gemiddelde socialist van vandaag op morgen een gigantisch inkomen, en kijk een jaar nadien of hij nog steeds zo gekant is tegen de grootverdieners en hun verderfelijk materialisme. Ik garandeer u dat elke socialist zal rijden met de duurste wagen die hij zich kan permitteren en in het grootste huis zal wonen dat hij kan vinden (en dus blijkbaar niet zo sociaal voelend is, want anders zou hij het met plezier wegschenken aan zij die het moeilijker hebben). Hypocrisie van het zuiverste water.
1.3.1.1 Misbruik van de sociale zekerheid.
De afwezigheid van het geroemde sociale gevoel en de gemeenschappelijke verantwoordelijkheidszin wordt nergens pijnlijker duidelijk gemaakt dan wanneer we kijken naar de excessen binnen de sociale zekerheid.
Men staat luidkeels te roepen om jobs, zodat iedereen het beter heeft (lees: zodat men zijn eigen job niet zou verliezen), en hoewel men anderen aanmoedigt om zich in te zetten voor de rest van de maatschappij, schreeuwen diezelfde personen moord en brand wanneer blijkt dat om voor iedereen alle sociale verworvenheden te kunnen blijven garanderen, bijvoorbeeld het brugpensioen zal worden aangetast.
Zij die het hardst roepen om jobs en solidariteit vallen nogal vaak eens door de mand als de meest lakse egoïsten, die bovendien zo ver gevorderd zijn dat ze hun jaloezie niet kunnen verkroppen tegenover diegenen die het financieel beter hebben, om eender welke reden.
Gelukkig belet het solidariteitsgevoel en de intrinsieke goedheid van iedereen een substantiële groep er niet van om schaamteloos van de uitkeringen te profiteren. Het negatieve effect hiervan is dubbel. Vooreerst hollen de profiteurs op zichzelf het systeem uit, maar daar komt nog eens bij dat mensen die het wel goed bedoelen eerder geneigd zijn om waar mogelijk ook het systeem te misbruiken.
1.3.1.2 Socialisme en welvaart.
Een pikant detail verbonden aan het socialisme is dat men om zijn eigen kiezerspubliek in stand te houden er voor moet zorgen dat het electoraat het zo slecht mogelijk heeft.
Immers, wie is in hoofdzaak socialist? Voornamelijk de “kansarmen” en “minder bedeelden”.
Bij het verbeteren van de levensstandaard van hun kiezers gaat een socialistische partij ten onder, aangezien zoals eerder vermeld deze logischerwijze vlug van hun socialistische gedachtegang zullen afstappen wanneer ook zij wat meer brood op de plank krijgen.
Is het trouwens geen gelukkig toeval dat socialisten (althans, de partijleiders, van de kiezers zelf valt dat nog te zien) grote voorstanders zijn van integratie voor in feite iedereen die het wenst? Naar wie zullen deze mensen zich algemeen genomen keren, wanneer ze horen dat enkel de socialisten ze zullen beschermen en de andere partijen hun uitkeringen zullen snoeien of afpakken wanneer ze er de kans toe krijgen of de allochtonen zullen discrimineren? Op moment van schrijven ongeveer 10% van de bevolking. Mooi meegenomen.
1.3.2 Paternalisme.
Een opvallende eigenschap van het socialisme manifesteert zich onder de vorm van het gouvernementele paternalisme; de overheid weet wat “het beste” is en dringt het op. Constant wordt de burger bij het handje genomen en gezegd wat te doen en laten om eigen bestwil door middel van reclamespotjes of het verbod ervan, bijvoorbeeld wanneer het gaat over tabaksreclame. De burger hoeft niet voor zichzelf beschermd te worden. Hierover later meer.