Wat waren de oorzaken van de historische schuld? Op de persconferentie werd gesproken over een ‘spilzucht’ van de vorige (socialistische) bestuurders. De N-VA kan het niet laten, al heeft de econoom Paul De Grauwe ooit vastgesteld dat socialisten meestal spaarzamer besturen dan andere partijen.
Samengevat zijn de oorzaken:
• De snelle daling van de bevolking in de kernstad Antwerpen – van 320.000 in 1920 naar 189.000 in 1982, waardoor het fiscaal draagvlak verschrompelde, terwijl de taken van de kernstad bleven (ziekenhuizen, onderwijs, toneel en opera); de zeven randgemeenten stegen van 162.000 naar 302.000.
• De tijdsomstandigheden: sinds 1914 twee oorlogen en lange economische crisissen (1930-1940, 1951-1955, 1975-2000, 2008 …). Zo sleurde Antwerpen een oorlogsschuld van 3,5 miljard frank mee, die niet afbetaald kon worden wegens traag economisch herstel, mede omdat de regering geen verhoogde haventarieven toestond;
• De zwakte van het Gemeentefonds, dat vanaf 1860 aan de 78 steden, waaronder Antwerpen, die door de afschaffing van de octrooien (tol op via de vestingpoorten ingevoerde goederen) 68 procent van haar inkomsten verloor, en aan wie compensatie was beloofd. De compensatie is nooit meer dan 28 procent geweest en na 1918 veel minder.
• Voornaamste oorzaak waren de haventekorten. De haven, een integraal overheidsbedrijf sinds haar ontstaan, heeft na 1945 elk jaar groot verlies geleden. Van 1946 tot en met 1960, dus vijftien jaar, bedroeg het verlies 1.637.311.557 frank, van 1961 t.e.m. 1970 2.558.000.000 frank, van 1971 t.e.m. met 1982, net voor de fusie, 5.511.480.000 frank en als we de ontbrekende jaren 1971 en 1973 extrapoleren: 6,5 miljard frank in twaalf jaar, Op deze en vorige schulden bleven de interesten wegen. In 1955 werden door de financieschepen de haventekorten voor meer dan de helft van de stadsschuld berekend; Omdat ze in voor de fusie bleven stegen tot voorbij 800 miljoen, was hun aandeel in de schuld in 1982 zeker 60 procent.
• De stadsschuld evolueerde als volgt (in miljoenen frank): 280 (1912), 606 (1920), 1.240 (1930), 2.111 (1940), 3.942 (1946), 7.032 (1960), 17.832 (1970), 47.948 (1982). Bij deze schuld werden ook tekorten gerekend waarvoor leningen niet waren toegestaan.