Interviewer: Roger, hoe kijk jij naar de strijd tussen Remco Evenepoel en Tadej Pogacar?
Roger: “Strijd? Welke strijd? Pogacar rijdt iedereen naar huis alsof hij op een brommer zit. En Remco? Die rijdt goed, hé, daar niet van. Maar hij denkt soms dat hij al Merckx is. Vent toch, ge moet eerst koersen winnen, dan pas show verkopen.”
Interviewer: Denk je dat Remco ooit Pogacar kan kloppen?
Roger: “Tuurlijk, als hij stopt met dat wattagegedoe en begint te koersen met zijn kop. Pogacar is slim, die wacht niet op zijn computer om te zeggen wanneer hij moet aanvallen. Die voelt de koers. Remco moet dat ook leren. Minder Instagram, meer instinct.”
Interviewer: Wat zou jij doen als je ploegleider was van Remco?
Roger: “Ik zou hem zeggen: ‘Jongen, steek dat fietsje niet in de lucht als ge wint. Steek uw handen uit, en wees fier. En als ge Pogacar wilt kloppen, dan moet ge hem pijn doen. Niet wachten tot de laatste klim, maar hem kapot rijden van kilometer 50. Zoals wij dat deden in Roubaix. Geen genade.”
Interviewer: Vind je dat Pogacar te weinig tegenstand krijgt?
Roger: “Absoluut. In mijn tijd had je Merckx, Maertens, Moser, Gimondi. Als ge daar een aanval plaatste, kreeg ge direct vier man op uw wiel. Nu laten ze Pogacar 90 kilometer alleen rijden. Dat is geen koers, dat is een toeristische uitstap.”
Interviewer: En Remco?
Roger: “Hij heeft het karakter, dat zie je. Hij wil winnen, hij heeft die blik. Maar hij moet leren dat koers niet alleen benen zijn. Het is ook kop, lef en timing. En als hij dat leert, dan kan hij Pogacar kloppen. Maar hij moet stoppen met te denken dat hij al de beste is. Ge wordt de beste door te winnen, niet door te roepen.”