Grof gezegd kunnen er twee verschillende onderwijssystemen worden onderscheiden: een generalistisch en een gespecialiseerd onderwijssysteem. België is een duidelijk voorbeeld van het eerste. Het secundair sorteert op intellectueel niveau (ASO, TSO, BSO) en legt de nadruk op een theoretische en algemene vorming. BSO wordt gepercipieerd als minderwaardig en de meeste ouders zullen hun kinderen trachten te overtuigen om zo hoog mogelijk in dit watervalsysteem te beginnen. Bovendien zijn de connecties met het bedrijfs/industriële werkveld verwaarloosbaar. Natuurlijk bestaan er vakscholen en bestaan er dingen zoals leercontract, maar de nadruk in het Belgische onderwijssysteem ligt toch op algemene vorming.
Een land zoals Frankrijk heeft een gespecialiseerd onderwijssysteem waar er veel nauwere connecties bestaan tussen de bedrijfswereld en scholen. Je hebt er ook de zogenaamde grandes écoles wat eigenlijk technische universiteiten zijn waar de crème de la crème van de politieke en bedrijfswereld naartoe gaat en een betere reputatie hebben dan de gewone universiteiten.
De bedrijfswereld rekent dus op hogescholen en universiteiten om mensen te selecteren op algemeen niveau en hen een brede, algemene opleiding te verschaffen die hen voorbereidt op het latere werkleven, net zoals in Japan waar de selectie nog veel harder wordt gemaakt. In het bedrijf zelf krijgen mensen dan meestal een opleiding die specifieke vaardigheden verschaft toepasbaar binnen het bedrijf. Daardoor zijn Begische werknemers over het algemeen gewild bij buitenlandse bedrijven omdat ze een algemene, hoge opleiding hebben genoten die complementair is met industriespecifieke vaardigheden.
Het meeste werk in bedrijven, en zeker in operations, is eigenlijk veredeld intellectueel bandwerk dat het niveau van het middelbaar onderwijs allerminst overstijgt. Mensen die geen hoger onderwijs hebben genoten, zouden in verreweg de meeste gevallen moeiteloos kunnen meedraaien bij de meeste bedrijven. Omdat zo'n veertig procent verder studeert in het hoger onderwijs, hebben bedrijven echter de voorkeur om hen aan te schaffen omdat ze bewezen hebben dat ze over zekere analytische vaardigheden beschikken. Daarom ook dat studenten dikwijls een manama of banaba gaan studeren na hun studies om zich toch te kunnen differentiëren met de rest.
Deze uitleg is erg veragelemenend voor een systeem dat erg uitgebreid en diep is. Er bestaan belangrijke nuanceverschillen tussen een professionele bachelor en een universitaire master. De eerste wordt echt opgeleid om later een specifiek beroep uit te oefenen, terwijl de hoofdtaak van een universiteit stricto sensu er niet op gericht is om iemand voor te bereiden op het professionele leven. Maar deze veralgemenende uitleg is nodig om zo'n systeem te kunnen verduidelijken.
Flawless zei:
Waarom denk je dat het gros van uitvindingen en innovaties van over de oceaan komt (dan bedoel ik niet enkel op pharmacie, technologie vlak, maar algemeen).
Dat heeft onder andere te maken met het onderwijssysteem, maar ook van veel andere factoren. Het verschil tussen de VS en België is dat de eerste een liberale markteconomie is, terwijl de laatste een gecoördineerde markteconomie is. Dit wordt bepaald door dingen zoals corporate governance, financiële systemen, de rol van de staat, de arbeidsmarkt, de relatie tussen werknemer en werkgever, R&D-beleid, enzovoort.
In België speelt de staat een belangrijke rol in de algemene economie zoals de allocatie van kapitaal. België beschikt over een credit-based state dominated (pardon my French) financieel systeem waardoor kapitaal vrij illiquide is, zeker in deze tijden van financiële crisis. Bovendien zijn er in België veel KMO's (relatief gezien veel meer dan in de VS) waar de eigenaars van de KMO zelf geld hebben geïnvesteerd in hun zaak. Dit resulteert in een strategie gericht op middellange tot lange termijn waar risico's worden gemeden en mikt men op een gestage groei. In de VS is de financiële markt veel meer liquide waardoor bedrijven gemakkelijker kunnen worden opgericht/uitgebreid en zijn managers meestal verschillend van de eigenaars. Managers durven dus meer risico's nemen en bijgevolg ook meer geld uitgeven aan R&D.
Bovendien is het R&D-beleid een verschil van dag en nacht. In België wordt R&D voornamelijk (dus niet alleen) in universiteiten uitgevoerd met een beperkte subsidiëring van de staat en zijn de connecties tussen universiteiten en industriële partners niet zo hecht. In de VS wordt er veel meer geld, zowel door de staat als industriële partners, geïnvesteerd in R&D met de gekende gevolgen. Het grote verschil is dat bedrijven in de VS opportunistischer gedragen en dit wordt in de hand gewerkt door een hire-and-fire policy.
Bedrijven werven liever nieuwe mensen aan dan hun bestaande werknemers te heropleiden. Daarom beschikken ze over veel betere reconfiguratiemogelijkheden (de mogelijkheid om snel te antwoorden op nieuwe markttrends) en R&D is voor dergelijke bedrijven belangrijk om deze nieuwe trends te ontdekken. In België worden zowel werknemers als werkgevers verdedigd door belangengroepen, respectievelijk vakbonden en sectorale associaties zoal Agoria. Belgische bedrijven zijn over het algemeen minder in staat om marktopportuniteiten te exploiteren omdat ze rekening moeten houden met deze groepen en het lot van de werknemer en werkgever meestal verstrengeld is in een lange termijnvisie.