Archief - Het grote schrijvers-topic

Het archief is een bevroren moment uit een vorige versie van dit forum, met andere regels en andere bazen. Deze posts weerspiegelen op geen enkele manier onze huidige ideeën, waarden of wereldbeelden en zijn op sommige plaatsen gecensureerd wegens ontoelaatbaar. Veel zijn in een andere tijdsgeest gemaakt, al dan niet ironisch - zoals in het ironische subforum Off-Topic - en zouden op dit moment niet meer gepost (mogen) worden. Toch bieden we dit archief nog graag aan als informatiedatabank en naslagwerk. Lees er hier meer over of start een gesprek met anderen.

spade VI

Legacy Member
Ik ken geen kloten meer van grammatica en spelregels maar toch ben ik aan het verder doen aan mijn biografie. Beter dat ik iets nalaat dan helemaal niets :)

Avondland

Legacy Member
Inspector Monkfish zei:
En zijt ge al verder geraakt? :)

'k Heb vandaag eens op papier mijn definitieve "grote lijnen" gezet. Ik deel alles op in drie grote delen, die ik allemaal ook nog eens beter ga uitwerken. Ik heb onlangs wel mijn eerste regels geschrapt en iets anders geplaatst. Het betreft mijn blogpost over dromen, trouwens. Hopelijk kan die de lezer meteen begeesteren.

Tipje van de sluier: ik ga inspiratie opdoen in Also sprach Zarathustra. Komt er op neer dat ik een soort Zarathustrafiguur als hoofdpersonage ga gebruiken, maar dan voor hij de bergen intrekt. Niet dat ik het "onvertelde verhaal" ga schrijven, maar ik ga wel een paar soortgelijke thema's behandelen.

Hopelijk kan ik op het einde van het jaar een deel af hebben.

Lorvet

Legacy Member
spade VI zei:
Ik ken geen kloten meer van grammatica en spelregels maar toch ben ik aan het verder doen aan mijn biografie. Beter dat ik iets nalaat dan helemaal niets :)

Daar dienen de uitgevers voor :p Op het forum valt je spelling nog erg goed mee als je dat vergelijkt me enkele anderen op dit forum.

spade VI

Legacy Member
Lorvet zei:
Daar dienen de uitgevers voor :p Op het forum valt je spelling nog erg goed mee als je dat vergelijkt me enkele anderen op dit forum.

Mja ik doel dan voornamelijk op dt fouten en misschien af en toe een rare zin...

?therapy?

Legacy Member
Ik heb onlangs eens een tekst geschreven samen met een vriendin. We schreven om de beurt een zin. :D Ik vond dat wel leuk om te doen en nu zou ik ook wel eens wat meer willen schrijven. Ik zou enkel niet weten waar te beginnen. :crazy:

Fliblit

Legacy Member
spade VI zei:
Mja ik doel dan voornamelijk op dt fouten en misschien af en toe een rare zin...

Gewoon herlezen, tijdens de 'act' van het schrijven maakt iedereen fouten :p

fusions

Legacy Member
Zo, ik had graag geweten wat jullie van m'n schrijfsels vinden...

Vinden jullie dat ik aanleg heb voor het schrijven?
Is het spannend?
Zou je verder lezen?
Alle onderbouwende comments zijn welkom :p

Avontuurverhaal - De Staf van Akkator

Het zweet parelde op Enna ’s voorhoofd.
Ze wankelde gevaarlijk heen en weer op een smalle stenen brug en kon nog maar net haar evenwicht behouden. Ze hoorde steengruis onder haar bergschoenen knerpen en vreesde dat de brug niet lang meer ging standhouden. Het geluid van de kolkende lavarivier, die diep onder haar lag, bulderde kokend door de ravijn. De kleinste windstoot kon haar ieder moment fataal worden. Enna bleef geconcentreerd naar haar einddoel kijken. Ze was op slechts enkele meters verwijderd van de tempel van Akkator. Tientallen vlammentoortsen wierpen grillige schaduwen op een eeuwenoude tempel die was opgebouwd tegen een hoge bergflank. Rond de berg hing een dichte mist waardoor de tempel in een mysterieuze sfeer baadde. Ook al was ze zo dichtbij, toch verwenste ze zichzelf op dit hachelijke moment. Waarom was ze niet gewoon tandarts of secretaresse geworden. Waar was ze toch aan begonnen!
Ze moest zo nodig in de voetsporen van haar vader treden. Enna haalde zich het gezicht van haar vader voor de geest. Ze had dezelfde diepblauwe ogen als hem maar ze wist bijna zeker dat ze nooit de wijsheid zou uitstralen zoals alleen hij dat kon. Haar onbevreesde vader, avonturier in hart en nieren, zou zonder enige moeite dit bruggetje oversteken.
Enna schrok op uit haar gepeins toen een lavasteen bruusk omhoog geslingerd werd en haar ingebeelde vader mee de onheilspellende avondlucht inzoog.
‘Wie twijfelt laat zich vergezellen door angst...’ Waaierden de woorden van haar vader door haar hoofd.
‘kom op, Enna!’sprak ze zichzelf moed in. Ze besefte dat ze niet langer in deze benarde situatie kon blijven staan, slikte de krop in haar keel door en deed voorzichtig enkele stappen vooruit. Maar het was tevergeefs! Enna had te lang getwijfeld en voelde hoe de brug bezweek onder het gewicht van de bezoekster. Zonder erover na te denken zette ze een spurt in. In haar vlucht hoorde ze hoe grote brokstukken vlak achter haar afbrokkelden en in de afgrond vielen. In een laatste wanhoopspoging nam Enna een sprong en molenwiekte wild met haar armen door de lucht. Ze kon zich nog maar net vastklampen aan de rand van de ravijn. Met al haar macht hield ze zich vast, hopend dat haar vingers niet zouden verkrampen. De lavarivier leek hongerig maar geduldig te wachten op een nieuw slachtoffer. Met haar linkervoet zocht ze haastig naar een extra houvast op de rotswand.
Gelukt! Ze duwde zich op, zwierde een voet omhoog en hees zichzelf op.
Volledig buiten adem liet Enna zich op de grond vallen. Haar vader zou trots op haar zijn geweest dacht ze. Maar Enna wist ook dat dit slechts het begin was.
Veel kans om te bekomen kreeg ze echter niet.
Er klonk in de verte gerommel tussen de rotswanden en de hemel lichtte op. Het was een klamme, warme avond in een land dat ze niet kende en waar ieder moment, in alle hevigheid, een onweer kon losbarsten. Enna wist dat ze moest voortmaken en klauterde overeind. Ze maakte de zaklamp los die aan haar rugzak bengelde,knipte hem aan en keek vluchtig om zich heen. Ze had het gevoel dat ze niet alleen was en verwachtte dat ze ieder moment kon opgeschrikt worden door een horde enge griezels die voor haar neus zouden opdoemen. De eerste dikke regendruppels vielen uit de lucht al gauw gevolgd door vele dikke regendruppels. Ze liep op een stenen gepolijst pad in de richting van de tempel.
Enna was helemaal doorweekt toen ze de eerste treden naar de ingang opliep. De regen viel met bakken uit de lucht en kletterde luid op enkele hoge palmen.
Helemaal bovenaan wachtte Enna in de schaduw van een deurportiek tot ze er zeker van was dat ze niet gevold werd. Ze keep haar ogen tot fijne spleetje en tuurde overheen de omgeving die verlicht werd door felle lichtflitsen die elkaar in snel tempo opvolgden.
Een luide knal doorkliefde de lucht en tegelijkertijd greep een gedaante haar bij de schouder.
Enna draaide zich met een ruk om en keek pal in het gezicht van de man die haar vader vijf jaar geleden ontvoerd had. Ze verstijfde van angst en voelde hoe haar hart wild tekeer ging in haar borstkast. De hemel lichtte opnieuw op en Enna zag hoe hij haar doordringend maar vooral dreigend aankeek. Een rilling van afschuw liep over haar heen. De gemene grijns rond zijn mondhoeken riep pijnlijke herinneringen op. In een flits bevond ze zich opnieuw samen met haar vader, thuis, in hun gezellige appartement in de stad. Wat een fijne kerstavond had kunnen worden werd in slechts enkele ogenblikken tijd veranderd in een ware nachtmerrie. De deur werd opgebroken en drie gewapende mannen, gevolgd door de man die nu vlak voor haar stond, stormden naar binnen. Ze werden omsingeld en gelijktijdig werd de boel kort en klein geslagen. Enna kon zich tot in het kleinste detail herinneren hoe de kerstboom tegen de vlakte ging en hoe tientallen roodkleurige kerstballen genadeloos uit elkaar spatten.
‘Welkom in Akkator…’ Zei de man met een diepe, schorre stem.
‘Zo te zien ben je mij nog niet vergeten.’ Hij forceerde een glimlach en kwam zo dichtbij haar gezicht dat ze zijn adem voelde.
Enna wilde zich losrukken maar daar kreeg ze de kans niet toe. Vlak achter hem verschenen twee handlangers die haar stevig beetpakten.

coldplayke

Legacy Member
Ik heb al veel slechtere dingen gelezen :p
Wat me wel een beetje stoort, is dat er soms nog al veel herhaling is, vooral van 'ze' en 'Enna'. Iets langere zinnen (daarmee bedoel ik hoofdzin + bijzin) vind ik zelf leuker om te lezen, maar dat is meer persoonlijke smaak.

Saphira

Legacy Member
coldplayke zei:
Ik heb al veel slechtere dingen gelezen :p
Wat me wel een beetje stoort, is dat er soms nog al veel herhaling is, vooral van 'ze' en 'Enna'. Iets langere zinnen (daarmee bedoel ik hoofdzin + bijzin) vind ik zelf leuker om te lezen, maar dat is meer persoonlijke smaak.

hier ga ik in mee... probeer ook wat meer adjectieven te gebruiken, zo kun je de wereld meer betekenis geven. Alé als je begrijpt wat ik bedoel, dat de lezer zich meer zal kunnen inleven, imo

fusions

Legacy Member
Thnx ik zal deze raad proberen opvolgen!

ik ben al blij dat jullie het leesbaar vinden...
alle comments zijn welkom

LadyGodiva

Legacy Member
Er zit wel wat in, maar je voelt wel dat het een beginnende tekst is, onder meer door wat Saphira en coldplayke al zeiden.

Je zou kunnen overwegen om anders te beginnen; ik vond de beste openingszin in het midden staan. Voeg er dan nog wat adjectieven en details bij, wissel af in lengte van zinnen en grijp de kansen aan om meer gevoel in je tekst te brengen, en je zou kunnen vertrekken vanuit zoiets als dit:

Het was een klamme, warme avond in een land dat ze niet kende en waar ieder moment, in alle hevigheid, een onweer kon losbarsten. Enna wist dat ze moest voortmaken en klauterde overeind. Tussen de rotswanden weerklonk gerommel en de hemel lichtte op. Het gevoel dat ze niet alleen was, achtervolgde haar al een tijd. Ze maakte de oude zaklamp los die aan haar rugzak bengelde en spiedde om zich heen, bang om opgeschrikt worden door … ja, door wie eigenlijk?

De eerste vette druppels vielen op haar hand, de voorbode van een gordijn van regen dat in een mum van tijd haar dunne truitje doorweekte. “Voortmaken”, dacht ze. In het licht van haar zaklamp liep Enna het gladde gepolijste stenen pad in de richting van de tempel, zoals miljoenen voeten het haar hadden voorgedaan voordat de stad in verval was geraakt. Onbewust voelde ze hoe het jaren geleden moest zijn geweest: de bewondering van dorpelingen voor de indrukwekkende marmeren trap, de belofte van rijkdom voor reizende handelaars en de angst van legers die de oninneembare tempel zagen opdoemen. De regen viel met bakken uit de lucht en kletterde angstaanjagend luid op enkele hoge palmen. Ze huiverde.
Doorweekt liep ze de eerste treden naar de ingang op.

Helemaal bovenaan wachtte Enna in de schaduw van een deurportiek tot ze er zeker van was dat ze niet gevolgd werd. Ze kneep haar ogen tot fijne spleetjes en tuurde over de omgeving, daarbij geholpen door de felle lichtflitsen die elkaar in steeds sneller tempo opvolgden.



Het is een snelle herschrijving die ook z'n tekortkomingen heeft, maar hopelijk voel je hoe je met wat kleine ingrepen een vlottere en spannendere tekst kan maken. Het zit soms in kleine details of iets werkt of niet.

Vooral veel blijven lezen, zou ik zeggen, en goed opletten waarom iets wel of niet vlot leest. Stelen met je ogen ;) Succes!

Avondland

Legacy Member
Uit het raam zag ik grijswitte kilometerpalen, klein maar opvallend, aan de zijkant van het spoor. Ze telden af. 4.2 kilometer. En niet veel later, snel voorbijgaand als in een droom, 4.1 kilometer. Zo ging het steeds verder. Rechts over mij zag ik een zakenman die verzonken was in zijn krant. Hij had een grijze baard met eigenaardige kleurschakeringen en had naast zich een oude aktetas met een zilveren sluitstuk, die open stond en iedereen een blik verschafte op de inhoud ervan. Hij schraapte zijn keel, sloeg de pagina om en keek met een aandachtige blik naar een artikel in de linkerbovenhoek van zijn krant, dat hem blijkbaar aantrok. Ik keek terug het raam uit. 2.9 kilometer. En beneden zag ik een eindeloze galerij van rode lichten. Als er mist was, vormde deze galerij een opmerkelijk baken, waardoor de hele buurt in een rode waas leek te baden. Vandaag was het helder, maar de glazen kamers waren vrijwel allemaal leeg. Een enkeling gaapte nog naar een overgebleven madelief, die moe opkeek naar haar bewonderaar, maar deze wandelde weer verder zodra de trein hem voorbijreed. Geen pret vandaag. 1,1 kilometer. Over mij kwam een jonge vrouw zitten die helemaal ingepakt was tegen het weer. Ze was ouder dan mij, ik schat ergens tegen de veertig, maar behoorlijk goed bestand tegen de tanden des tijds. Ze deed haar lange regenmantel uit en gooide hem op het verroeste draagrek boven mij. Een frisse regengeur streelde even mijn geurzin en enkele druppels vielen op het tafeltje neer. Ze nam een krant en begon eenzelfde postuur aan te nemen als de man die rechts over mij zat. Dezelfde kruising van de benen en eenzelfde zorgeloze blik. 0.2 kilometer. Eindelijk.

Muy buen?

EDIT: de vrouw die 1 kilometer voor de trein het station bereikt zit en de krant begint te lezen lijkt wat raar, maar beeld je gewoon in dat het station een van de vele haltes is op het traject. Dit bovenstaande stukje is een deel van het verhaal waar ik aan het schrijven ben en ik ben nu van plan gewoon een aantal scènes echt op punt te stellen.

Het bevalt me ook moeilijk een consequente lijn door te trekken in het verhaal. Verhaallijnen uitwerken vind ik een behoorlijk moeilijke taak. Daarom ga ik nu misschien eerder werken aan een paar belangrijke scènes die ik wil beladen met symboliek of andere ijdele diepzinnigheden.

LadyGodiva

Legacy Member
Uit het raam zag ik grijswitte kilometerpalen, klein maar opvallend, aan de zijkant van het spoor. Ze telden af. 4.2 kilometer. En niet veel later, snel voorbijgaand als in een droom, 4.1 kilometer. Zo ging het steeds verder. Rechts over mij zag ik een zakenman die verzonken was in zijn krant. Hij had een grijze baard met eigenaardige kleurschakeringen en had naast zich een oude aktetas met een zilveren sluitstuk, die open stond en iedereen een blik verschafte op de inhoud ervan. Hij schraapte zijn keel, sloeg de pagina om en keek aandachtig naar een artikel in de linkerbovenhoek van zijn krant, dat hem blijkbaar aantrok. Ik keek terug uit het raam. 2.9 kilometer. En beneden zag ik een eindeloze galerij van rode lichten. Als er mist is, vormt deze galerij een opmerkelijk baken, waardoor de hele buurt in een rode waas lijkt te baden. Vandaag was het helder, maar de glazen kamers waren vrijwel allemaal leeg. Een enkeling gaapte nog naar een overgebleven madelief. Ze keek moe op naar haar bewonderaar, maar die wandelde weer verder zodra de trein hem voorbijreed. Geen pret vandaag. 1,1 kilometer. Over mij kwam een jonge vrouw zitten die helemaal ingepakt was tegen het weer. Ze was ouder dan ik, ik schat ergens tegen de veertig, maar behoorlijk goed bestand tegen de tanden des tijds. Ze deed haar lange regenmantel uit en gooide hem op het verroeste draagrek boven mij. Een frisse regengeur dreef mijn kant uit en enkele druppels vielen op het tafeltje. Ze nam een krant en nam eenzelfde houding aan als de man die rechts over mij zat. Dezelfde kruising van de benen en dezelfde zorgeloze blik. 0.2 kilometer. Eindelijk.

Ik twijfel over de juiste tijd voor "Als er mist is/Was". Je beschrijft een fenomeen dat zich altijd voordoet als er mist is, dus ik zou opteren voor een vaststellende, tegenwoordige tijd. Verleden tijd werkte voor mij verwarrend. Maar dit is precies ook nog niet helemaal wat het moet zijn... Of is het de combinatie "Vandaag was" die niet lijkt te kloppen? Lastig.

Op het einde zou ik voor een spiegeling gaan: dezelfde - dezelfde. Dan lijkt het nog meer hetzelfde :p

Qua opbouw vind ik het idee van het aftellen goed gevonden; het creëert spanning en structureert de gebeurtenissen. Tegelijk is het raar dat je enerzijds aftelt, en anderzijds een interessant personage introduceert. (archetype "de oudere vrouw") Er hangt wel spanning in de lucht als je haar zo beschrijft, maar blijkbaar gaat ze onbelangrijk zijn voor de actie, anders komt ze niet zo dicht bij het eindpunt in beeld?
Ik wil nu wel weten wet er gaat gebeuren :)

En dan de stokpaardjes:
- 'die/dat' verwijst terug, 'deze' verwijst door. (de brief die, het paard dat... vs. de opsomming bestaat uit deze elementen:...)
- ouder dan ik (ben), groter dan ik (ben) Maar "meer verliefd op mij dan op jou", of "ze ziet jou liever dan (dat ze) mij (ziet)". /schooljufmodus

Avondland

Legacy Member
Awel, ik wil die scène eens graag op een Dostojevskiaanse wijze helemaal uitwerken. In die romans krijgen zelfs onbelangrijke personages een innerlijk leven.

Parnakra

Legacy Member
Nou, ik vind, Dostojevskiaans gezien, dat je Dostojevskiaanse zinnen iets te veel neigen naar een Dostojevskiaanse manier van Dostojevskiaans overdrijven. :)

Avondland

Legacy Member
Parnakra zei:
Nou, ik vind, Dostojevskiaans gezien, dat je Dostojevskiaanse zinnen iets te veel neigen naar een Dostojevskiaanse manier van Dostojevskiaans overdrijven. :)

Ik ben er tot nu toe niet in geslaagd een zin te schrijven van een halve pagina. :(

Avondland

Legacy Member
Wat denken jullie van onderstaand epistelletje? Ik wil hier een reeks van maken van filosofische gesprekken die beetje bij beetje mijn wereldbeeld in een literaire vorm weergeven.

‘Eenzaamheid. Het is een absolute heerlijkheid’, zegt de verweerde Zwerver plots, terwijl hij het vuur aanport en zijn tijdelijke metgezel, een jonge vagebond uit een nabijgelegen dorp, aankijkt. Hij lijkt niet te luid te willen spreken, dat lag overigens niet in zijn aard. Het zou zonde zijn, dacht de Zwerver, de wonderlijke stilte die nu over het bos is gevallen plots te verbreken. Hij beschouwt tijd en ruimte als heilig. Elk tijdstip, elk ruimtedeel is geladen met een symbolische betekenis. Niet dat dit zijn leven onnodig bezwaart, het zorgt eerder voor een uiterst diep respect voor de omgeving waarin hij vertoeft en de manier waarop hij zijn tijd wenst in te vullen. Dit respect vormt de totale tegenpool van het leven dat hij eens gekend had: jachtig en betekenisloos. Rond hen treedt de nacht in alle stilte aan en doorruist een koele maar zachte wind de bomen, die stilaan hun stralende kruin verloren. Het bruisende zomerleven maakt plaats voor de verstilling.

‘Waarom een heerlijkheid?’, vraagt de metgezel met een nieuwsgierige blik, die duidelijk gebrand was op een discussie, ‘is het niet heerlijk, te vertoeven onder je geliefden? Is het niet heerlijk je geluk te delen met anderen en je leed te verzachten in het nabij zijn van anderen?’.

De Zwerver kijkt op en glimlacht zonder een schim van minzaamheid en arrogantie te laten zien. Hij spreekt zijn woorden haast uit alsof hij een gedicht citeert, in een bijzondere kadans die zijn toehoorder lijkt te hypnotiseren.

‘Zeker. Ik heb dat geluk gekend, onder vele geliefden te verblijven. En ik heb ook mijn leed verzacht in hun nabij zijn. Het is iets waar ik met een groot genoegen naar terug kijk. Maar toch is de mens een fundamenteel eenzaam wezen, daar ben ik van overtuigd. Menselijke ervaringen zijn de bron van wijsheid, en door hun uniekheid zijn zij uiterst persoonlijk. Esse est percipi. Het bestaan dat het meest logische, concrete en redelijke is, kan enkel het bestaan zijn dat tegemoet komt aan je eigen verbeelding, idee en fantasie van de werkelijkheid. De wereld, en daarmee bedoel ik het zinvolle weefsel van ruimte en tijd, is de creatie van de unieke menselijke geest. Slechts weinigen beseffen dit en schrijven dit toe aan anderen.’

Niet veel verder, op een kaal, braakliggend weiland stuiven honderden zwarte vogels weg, opgeschrikt door iets. Een aanzwellende golf, net iets donkerder dan de donkerblauwe nachthemel, vliegt haast geruisloos over de hoofden van de twee vagebonden. De Zwerver kijkt nog eens naar zijn jonge metgezel, die op zijn wederwoord leek te broeden. Hij had een eigenaardige tic: iedere keer wanneer hij het woord nam, leek hij zijn baard aan te raken en te strelen. De metgezel is een stevige kerel van gemiddeld postuur met een knokig, rechthoekig gezicht, en er opmerkelijk jong uitziet. Dat heeft hij vooral te danken aan de vurige kracht die uit zijn ogen lijkt te stralen.

‘Maar deel je die ervaringen dan niet met allen die bij je zijn? Dit moment van stilte, dit magische moment in deze wonderlijke natuur, delen wij dit niet met elkaar?’

De Zwerver moest lachen. ‘Neen, mijn beste vriend. Wat ik ervaar en wat jij ervaart kunnen evengoed mijlenver uit elkaar liggen. Wat wij delen is slechts de illusie dat wij hetzelfde ervaren’.

‘Is iedere vorm van samen iets delen of samen iets ervaren, dan een illusie? Is het nutteloos?’

‘Zeer zeker niet! Ik schat je hoog in, beste, en op dit eigenste moment doen wij beiden indrukken op die als bouwstenen dienen voor het begrip van onszelf, de wereld en nog veel meer. Het zou trouwens waarlijk gek zijn te denken dat je niemand nodig hebt. De mens is immers een sociaal wezen, dat slechts ten volle kan groeien tot een volwaardig lid van een gemeenschap door de steun van anderen. In dit opzicht is de mens niet eenzaam, daarover spreek ik overigens niet. Ik doel op het domein van de gedachte, vooral daarin is de mens eenzaam. Die bepaalde eenzaamheid moet hij koesteren, want daarin kan hij iets heel bijzonders vinden. Namelijk wijsheid in iets dat boven hem uitstijgt; een “meer-dan-leven” als het ware. Hij begint in zichzelf, verliest zichzelf gaandeweg in zijn innerlijke zoektocht en keert terug naar zichzelf in een nieuwe gedaante’.

‘Wat bedoel je? Wat voel jij dan, als jij alleen bent? Ik zou toch liever bij de mensen verblijven, zeker op koude en donkere winternachten. Want dan voel ik me ver van alles en iedereen. Die afstand is ondraaglijk’.

‘Toen ik nog in de stad woonde wandelde ik eens op een donkere winteravond door de straten naar huis toe. Ik moest door het park wandelen en toen ik me daarginds bewust werd dat ik me helemaal alleen bevond, zonder iemand rond mij, voelde ik iets heel bijzonders. De opkomende mist en de kale bomen, die me op andere momenten heel bevreemdend en zelfs beangstigend overkwamen, en waar ik anders snel voorbij wandelde, voelden heel vriendelijk aan; zorgzaam en beschermend. Toen ik omhoog keek zag ik de sterren helder fonkelen en zich organiseren in sterrenbeelden, zomaar, uit zichzelf en zonder mijn toedoen. Ik werd plots overmand door het abrupte idee dat ik me middenin de kosmos bevond; die machtige architectuur van het Leven. Op dat moment dacht ik dat geen enkele plek me nog bevreemdend en beangstigend zou overkomen en kwam ik te beseffen dat we als mens wel eenzaam kunnen zijn in onze gedachte, maar nooit hopeloos alleen. Want wat is dat, ondraaglijke afstand en ver zijn van alles en iedereen? Kan je meten wanneer een bepaalde ruimtelijke afstand je alleen en verloren maakt? Deze hele aarde is slechts een miniem punt in het hele heelal, zijn we daarom als mens hopeloos alleen? In stad waar ik woonde voelde ik me eenzaam tussen de krioelende massa, maar daar, in het nachtelijke park, waar niemand was en niemand naar me omkeek of nog maar zelfs aan me dacht, daar werd ik me van een nabijheid gewaar van iets dat veel groter was dan het leven zelf. Dát, mijn beste, is de heerlijkheid van de eenzaamheid’.

Utred

Legacy Member
Niet echt origineel, dat soort dingen is al zo vele keren gedaan. En een oude zwerver dan nog. Om een filosofische dialoog te doen werken moet je eerst en vooral iets nieuws en interessants te zeggen hebben, want zo'n dialoog is gewoon een middel om een essay minder droog te maken. Maar de filosofie erachter blijft het belangrijkst.
Het archief is een bevroren moment uit een vorige versie van dit forum, met andere regels en andere bazen. Deze posts weerspiegelen op geen enkele manier onze huidige ideeën, waarden of wereldbeelden en zijn op sommige plaatsen gecensureerd wegens ontoelaatbaar. Veel zijn in een andere tijdsgeest gemaakt, al dan niet ironisch - zoals in het ironische subforum Off-Topic - en zouden op dit moment niet meer gepost (mogen) worden. Toch bieden we dit archief nog graag aan als informatiedatabank en naslagwerk. Lees er hier meer over of start een gesprek met anderen.
Terug
Bovenaan