Bea Cantillon: stap voor stap verglijdt ons model
“De kloof neemt toe”, zegt Bea Cantillon. “Dat is al dertig jaar de trend, en dat zal de volgende jaren zonder twijfel verder gaan.
De ongelijkheid, de verschillen in inkomen tussen werknemers en niet-werkenden worden steeds groter. We komen stap voor stap in een ander model van sociale zekerheid terecht.”
Professor Bea Cantillon leidt het Centrum voor Sociaal Beleid (CSB) aan de Universiteit Antwerpen. Ze is niet optimistisch over de evolutie van de sociale zekerheid.
“De oorsprong van het systeem was de bekommernis om aan ieder die geconfronteerd wordt met een sociaal risico, een behoorlijk inkomen te garanderen”, zegt ze. “Maar we zien nu dat de sociale zekerheid daar de voorbije twintig à dertig jaar steeds minder goed in slaagt. De pensioenen en de uitkeringen voor werkloosheid, ziekte en invaliditeit hebben geen gelijke tred kunnen houden met de algemene welvaartstijging. Er is een groeiende kloof tussen mensen met een arbeidsinkomen en degenen die dat niet hebben (gepensioneerden, werklozen, zieken, invaliden). De welvaart stijgt, maar de uitkeringstrekkers voelen dat niet. Er is maar één uitzondering: de uitkeringen voor zelfstandigen. Die hebben de jongste jaren een grote inhaalbeweging gemaakt. Ook de zogenaamde kostendekkende uitkeringen, zoals kindergeld en ziektekosten, slagen er steeds minder in om de kostenstijging te volgen.”
Hoe komt dat?
Bea Cantillon: “Ik zie drie oorzaken. Er is ten eerste de grote overheidsschuld, die haar oorsprong vindt in de crisis van de jaren ’70 en in het onvermogen van de Belgische overheid om zich tijdig aan te passen. In de crisis die daar op volgde, heeft de sociale zekerheid als buffer gewerkt. De tweede factor is de structureel lage werkgelegenheidsgraad. Wij geven aan heel veel mensen een uitkering - ook al is dat een laag bedrag in vergelijking met andere landen. Het derde element is het hoge niveau van de fiscale en parafiscale lasten in België. Om de welvaartsvastheid van de uitkeringen te kunnen betalen, zouden we die lasten nog moeten verhogen. Maar dat kan niet meer. Er is integendeel een beweging ingezet van lastenverlagingen. Die driehoek gijzelt ons systeem van sociale zekerheid en maakt het onmogelijk om uitkeringen welvaartsvast te maken. Zo lang die drie parameters zijn wat ze zijn, zie ik geen mogelijkheden om de trend van die groeiende kloof te keren.”
Wat kan er dan gebeuren?
“We moeten vooral het aantal gebruikers van de sociale zekerheid verminderen. In de eerste plaats door meer mensen aan het werk te zetten, maar ook door het systeem wat lichter te maken. Doorheen de jaren hebben we namelijk heel wat dingen in het systeem gestopt die daar niet thuis horen. Sociale risico’s die helemaal geen sociale risico’s zijn, en die daar terecht zijn gekomen door een gebrek aan durf om keuzes te maken.”
U doelt op het beruchte ‘tijdskrediet voor de wereldreis’.
“Dat is geen goed voorbeeld omdat slechts weinig mensen het tijdskrediet daarvoor gebruiken. Maar tegelijk is het een goed voorbeeld, omdat het een bepaalde mentaliteit illustreert. Men heeft namelijk niet de keuze durven maken om het systeem te reserveren voor bijvoorbeeld mensen die kleine kinderen hebben, of voor mensen die voor hun bejaarde ouders zorgen. Die weigering om te kiezen, zie je ook in het dossier brugpensioenen. Aangezien het blijkbaar moeilijk is om te definiëren wat zware arbeid is, werd er gezegd: brugpensioen op 58 jaar voor iedereen. Hetzelfde deed zich lange tijd voor in de werkloosheid: we betaalden uit en we stelden geen vragen. Dat is nu toch aan het veranderen.”
De kloof groeit omdat de uitkeringen de welvaart niet volgen, zegt u. Maar is dat erg?
“Dat is een heel moeilijke vraag. In hoeverre is ongelijkheid problematisch? Dat is een waardeoordeel. Ik vind dat erg, ja. In de jaren ’50 en ’60 heeft men een heel apparaat opgezet, precies om de ongelijkheid kleiner te maken. Dat was het basispact tussen werknemers en werkgevers: de werknemers zouden loyaal meewerken om bedrijven winsten te laten maken. En de werkgevers zouden die winsten mee inzetten voor het verhogen van lonen en voor de uitbouw van de sociale zekerheid. Dat was het basisconcept. En dat heeft gewerkt tot ver in de jaren ’70. Nu zien we dat de ongelijkheid weer toeneemt. Ik denk dat dit op termijn zal leiden tot grote maatschappelijke spanningen. Het is moeilijk om aan te tonen wat de overlasteffecten zijn van grote ongelijkheid. Maar vanaf een bepaald moment zullen die effecten zich duidelijk manifesteren. Denk aan het Amerikaanse model, met zijn gevangenissen vol jonge mensen, met zijn ommuurde woonwijken voor rijken. Niemand hier wil naar dat model. Maar stap voor stap gaan we wel in die richting.”
De vergrijzing doet de financieringsproblemen van de sociale zekerheid toenemen.
“De kosten voor pensioenen en voor zorgverstrekking zullen flink stijgen. De optimisten zeggen dat het allemaal wel zal meevallen, en dat de economische groei die stijgende kosten zal opvangen. Anderen zijn veel pessimistischer, en ik vrees dat ik tot dat kamp behoor. Zelfs indien de economische groei voldoende groot zou blijken – dat wil zeggen: 2,5 procent per jaar, jaar na jaar – en we kunnen de pensioenuitgaven dekken, dan heb ik nog geen eurocent overgehouden voor alle nieuwe behoeften die zich aandienen. Dan hebben we alle beschikbare middelen ingezet, enkel en alleen voor de vergrijzingskosten.”
Is privatisering een oplossing?
“Voor een bepaalde groep wel. Het zijn inderdaad niet enkel de minimumuitkeringen die achterop zijn gebleven tegenover de welvaart. Dat geldt voor àlle uitkeringen. Gevolg: wie zich dat kon veroorloven, heeft zich bijkomend verzekerd. Een sluipende privatisering heeft zich ingezet. Die heeft het probleem opgelost voor de hogere en de middeninkomens én voor degenen die op tijd de bui hebben zien hangen. Maar het probleem voor de lage inkomens blijft natuurlijk zonder oplossing.”
We gaan dus naar een ander model van sociale zekerheid?
“Heel zeker. We zijn er al in terecht gekomen. Ons systeem is veel selectiever geworden. Kijk naar de kinderbijslag. Die moest in oorsprong voor allen ‘kosten van kinderen’ compenseren. Het was een universeel systeem, onafhankelijk van het inkomen. Maar de kinderbijslag dekt van langsom minder de echte kosten van kinderen. En wat zie je dan? Er komen supplementen – maar alleen voor wie er meest behoefte aan heeft, de langdurige uitkeringstrekkers en nu ook de lage inkomens. Dat doet zich ook in andere uitkeringen voor. We stevenen regelrecht af op een selectief systeem, zonder dat we daar ooit een debat over gevoerd hebben.”
Wat kan een volgende regering doen om de sociale zekerheid te redden?
“Aan de strategische parameters werken: schuld, werkzaamheidsgraad en definitie van sociale risico’s.”
Is de groeiende kloof tussen werken en niet-werken een politieke keuze?
“U alludeert op de bestrijding van de zogenaamde werkloosheidsvallen. Die was gericht op het verlagen van de loonkosten door lastenverlagingen en op de verhoging van het nettoloon voor de laagste inkomens. Het beleid mikte niet expliciet op het in toom houden van de uitkeringen aan de onderkant. Maar impliciet heeft dat natuurlijk gespeeld. Het is geen toeval dat de werkloosheidsuitkering het meest achterop is gebleven.”