De eindtermen in de gemeenschappelijke stam zijn gericht op een aantal sleutelcompetenties, hieronder in vetjes aangegeven.
Deze eindtermen zijn vrij algemeen geformuleerd zodat ze breed kunnen worden geinterpreteerd en toepasbaar zijn in alle opvoedings- en onderwijsactiviteiten van de
school. De bedoelde sleutelcompetenties zijn:
• communicatief vermogen in de zin van verbale en non-verbale taal en contactvaardigheid, zich moeiteloos onder andere mensen begeven, naar anderen toestappen
en zich in gezelschap mengen;
• creativiteit in de zin van ondernemend en innoverend, soepele geest en inventiviteit;
• doorzettingsvermogen in de zin van wilskracht, keuzes kunnen maken en verantwoorden, ambitieus en moedig zijn;
• empathie in de zin van inlevingsvermogen en responsiviteit, het vermogen af te
stemmen op de gesprekspartner en relationele gerichtheid;
• esthetische bekwaamheid in de zin van schoonheid in cultuur- en kunstuitingen kunnen waarderen en schoonheid naar eigen smaak kunnen creëren;
• exploreren in de zin van actief zoeken naar situaties om de eigen capaciteiten te
verbreden en verdiepen, leergierig zijn, durven en een actief aftasten van handelingsmogelijkheden;
• flexibiliteit in de zin van mentale soepelheid en veerkracht, relativeringsvermogen
(humor) en stressbestendigheid;
• initiatief in de zin van anticiperen, proactief handelen, wensen nastreven en taken
aanpakken zonder dat het gevraagd wordt of zonder dat omstandigheden ertoe
dwingen;
• kritisch denken in de zin van onderscheidingsvermogen;
• mediawijsheid in de zin van een bewuste en kritische houding ten opzichte van klassieke (televisie, radio, pers) en nieuwe media (internettoepassingen, sms) en het
vermogen tot een alledaags, informeel en creatief mediagebruik dat (impliciet of
expliciet) gericht is op participatie in de culturele publieke sfeer (lezersbrief, you
tube, chatrooms, blogs, webcam, enz.);
• een open en constructieve houding tonen in de zin van ruimdenkend, maar ook belangstellend en relationeel gericht;VOET @ 2010 — 9
• respect in de zin van verdraagzaamheid, hoffelijkheid, ethisch denken en handelen,
verbondenheid met de eigen leefwereld en de ruimere samenlevingscontext, verantwoordelijkheid;
• samenwerken in de zin van solidariteit en daadwerkelijke inzet voor een publieke
zaak, constructieve deelname aan initiatieven die een plaatselijke of grotere gemeenschap raken;
• verantwoordelijkheid in de zin van engagement en betrokkenheid, maar ook loyaliteit
en effectbesef van eigen denken en handelen;
• zelfbeeld in de zin van zelfkennis en realistisch zelfwaardegevoel, weet hebben van
beperkingen en vertrouwen op capaciteiten, oprechtheid en authenticiteit;
• zelfredzaamheid in de zin van kunnen zorgen voor zichzelf en het sociaal, cultureel
of economisch netwerk kunnen benutten wanneer nodig;
• zorgvuldigheid in de zin van accuratesse, nauwkeurigheid en organisatievermogen,
de wil om het werk goed te doen, bedachtzaam t.a.v. middelen en doel;
• zorgzaamheid in de zin van behulpzaam en liefhebbend, proactief dienst- en zorgverlenend als inter-persoonlijke, interculturele, sociale en civiele vaardigheid.
De eindtermen in de stam zijn niet enkel onderling combineerbaar, maar kunnen ook
samen met andere vakoverschrijdende en vakgebonden eindtermen worden aangepakt