Of ik verbaasd ben over deze verkiezingsuitslag? Ja en neen. Ja, omdat het me telkens raakt en verwondert om te zien hoeveel mensen openlijk een haatdragende stem uitbrengen. Neen, omdat al jaren een nationalis*tische, extreemrechtse politieke golf onze wereld overspoelt.
Of ik bang ben? Ja en neen. Ja, omdat ik niet kan overzien tot welke geweld*daden deze overwegend witte mannen zullen aanzetten. Neen, omdat ik probeer verder te kijken. Niet in de toekomst, maar in mijn hart. En daar ontwaar ik een eerste reactie. Dat is er een van strijd. We moeten vechten! We moeten tonen dat het ook anders kan! Deze vieze fuckers mogen niet winnen! Wanneer ik kijk naar de uitroeptekens van de voorgaande zinnen, dan besef ik dat ik in se niets anders doe dan wat hun campagnes uitdragen. De strijd aangaan. Mezelf als slachtoffer zien van hun kwaad.
Een tweede reactie dient zich aan. Ik keer nog dieper naar binnen. Ik observeer mijn woede tegenover de Tom Van Griekens van deze wereld. En ik vraag me af, waarom maakt hij mij zo kwaad? Toont hij mij iets? Iets in mijzelf? Iets dat ik niet wil zien?
En ik besef dat ook in mij een angst schuilt. Een angst voor wat ik niet ken. Een angst om alles te verliezen wat ik heb, voor de ander en wat die allemaal met mij zou kunnen doen. Ik herken die angst. En ik erken hoe snel die angst zich kan omzetten in daadkracht. Me opsluiten. Me omringen met mensen die ik beschouw als mijn gelijken. Maken dat ík het tenminste goed heb. De rest kan me niet schelen. Naar mijn handtas kijken wanneer een gekleurde stads*genoot me passeert.
Al die gevoelens zijn mij niet vreemd. Daarom ben ik de extreemrechtse par*tijen van deze wereld ervoor dankbaar. Omdat ze mij confronteren met de zwartste gevoelens diep in mij. Omdat ze mij een van de belangrijkste levenslessen schenken: erkennen dat ik mens ben, al mijn zwaktes inbegrepen. Erkennen dat ik niet beter ben dan zij. Zij houden mij een spiegel voor, de spiegel van mijn eigen agressie. En dankzij die spiegel zie ik mijzelf. Rood aangelopen, met de vuist in de lucht, uitroeptekens spuiend.
En zo kan ik een nieuwe stap zetten. Ik heb die agressie in mezelf gezien. En ik vecht er niet meer tegen, dat zou alleen tot meer van hetzelfde leiden. Ik erken haar, hoe moeilijk dat ook is. Ik omarm haar, hoe bovenmenselijk dat ook lijkt. Althans, ik probeer. Elke dag opnieuw. Want ik ben en blijf een mens, die valt en opstaat. En telkens ik die poging onderneem, zet ik een stap. Niet naar links of rechts, of naar het centrum. Een stap nog verder naar binnen. De enige stap die mij zal toelaten om waarachtig in contact te komen met anderen. Ik open mijn hart, mijn handen en mijn blik. Naar binnen en naar buiten. En ik kijk, gespannen maar nieuwsgierig, naar wat er op mij afkomt.