De verlaging van de btw‐voet op elektriciteit vertaalt zich in de eerste plaats in een daling van de
consumptieprijzen, die zich (via de automatische loonindexering) vertaalt in een daling van de
loonkosten. De daling van de loonkosten doet de werkgelegenheid toenemen, en zwengelt de Belgische
uitvoer aan via een verbetering van de kostencompetitiviteit ten opzichte van het buitenland. De
werkgelegenheidstoename en de lagere inflatie (gecombineerd met het feit dat niet alle componenten
van het beschikbaar inkomen van de gezinnen geïndexeerd worden), doen de koopkracht van de
gezinnen toenemen en stimuleren daardoor de particuliere consumptie. De toename van de
economische activiteit en een beperkte verbetering van de rendabiliteit leiden tot bijkomende
bedrijfsinvesteringen.
Het begrotingssaldo wordt negatief beïnvloed door de maatregel, wat er op zijn beurt voor zorgt dat de
overheidsschuld toeneemt. In het volgende deel wordt de impact op de overheidsfinanciën in detail
besproken.
Het saldo van de lopende verrichtingen met het buitenland gaat er licht op achteruit omdat de toename
van de binnenlandse vraag de invoer sterker doet toenemen dan de uitvoer.
Ten slotte zorgt de btw‐verlaging op elektriciteit voor een toename van het energieverbruik die zowel
het gevolg is van een prijseffect (elektriciteit wordt goedkoper) als een volume‐effect (via een toename
van de economische activiteit). Bijgevolg neemt ook de uitstoot van broeikasgassen toe (met 0,37% of
ruim 400 000 ton CO2‐equivalent tegen 2020, in vergelijking met het basisscenario).
...
De ex‐ante daling van de btw‐ontvangsten (d.w.z. bij een ongewijzigde consumptie) als gevolg van de
verlaging van de btw‐voet op elektriciteit loopt op van 536 miljoen euro in 2015 tot 572 miljoen in 2020.
De ex post invloed op het begrotingssaldo is (behalve in 20158) evenwel beperkter vanwege de daling
van de uitgaven en de positieve impact op de economische groei.
...
Binnen de ontvangsten heeft de maatregel uiteraard de grootste impact op de btw‐ontvangsten en dus
de indirecte belastingen. Door de neerwaartse impact van de maatregel op de loonkosten als gevolg van
de lagere indexering, zouden de directe belastingen betaald door de gezinnen dalen, maar de
ontvangsten uit vennootschapsbelastingen zouden toenemen door de stijging van de winstmarges van
de ondernemingen. Ook de inkomsten uit sociale premies zouden dalen door de neerwaartse impact
van de maatregel op de loonkosten. De neerwaartse impact op de ontvangsten wordt algemeen
genomen echter gemilderd door de toename van de economische activiteit en de werkgelegenheid.
Ook de uitgaven zouden dalen als gevolg van de btw‐daling, maar hun profiel is meer uitgesproken
dan dat van de ontvangsten. Dat wordt immers vooral bepaald door de impact van de maatregel op de
indexering van overheidslonen en sociale uitkeringen (zie deel 2.2). Als gevolg van de indexsprong is
die impact eerder beperkt in 2015 en 2016, maar omdat de spilindex in 2017 vier maanden later zou
overschreden worden bij een btw‐voet van 6% dan bij een voet van 21%, dalen de uitgaven met meer
dan een miljard euro, waardoor het begrotingssaldo in 2017 nauwelijks verschilt van het basisscenario.
Vanaf 2018 wordt die zogenaamde “indexeringswinst” kleiner, waardoor de neerwaartse impact op de
uitgaven beperkter wordt. Naast de indexeringseffecten, wordt de neerwaartse impact op de sociale
uitkeringen versterkt door de afname van de werkloosheid.