OP EEN OCHTEND LIEPEN DE EEKHOORN EN DE MIER
Door het bos.
“Waar gaan we eigenlijk heen?”vroeg de eekhoorn.
“Naar de verte” zei de mier.
“O”, zei de eekhoorn.
Het was een mooie dag en ze liepen het bos uit, de verte in.
“De wereld is zó groot, eekhoorn …” zei de mier.
“Ja” zei de eekhoorn.
“En hoe verder je loopt, hoe groter hij wordt,” zei de mier.
De eekhoorn zweeg.
“Dus eigenlijk,” ging de mier verder, “als je maar altijd doorloopt is hij oneindig groot.”
De eekhoorn knikte, maar hij wist niet wat oneindig was en hij geloofde niet dat iemand altijd maar zou kunnen doorlopen. Hij dacht zo diep mogelijk na. Als ik ga zitten, dacht hij, zou de wereld dan weer kleiner worden? En als ik dan altijd blijf zitten? Hij vond dat een ingewikkelde gedachte en besloot alleen nog maar om zich heen te kijken.
Ze liepen door een onafzienbare vlakte. Zo nu en dan passeerden ze een rotsblok, en boven hun hoofd zeilde soms een klein wit wolkje door de reusachtige blauwe lucht.
Urenlang liepen ze door.
Toen stonden ze plotseling voor een muur. Het was een grote hoge muur, er groeide klimop tegen en de stenen waren brokkelig en verweerd. Ze liepen een eind langs de muur. Er was nergens een gat of een poort en er kwam ook geen einde aan de muur.
“We kunnen niet verder,” zei de eekhoorn.
“Maar we kunnen er wel overheen,” zei de mier, “Kijk uit.”
Hij stapte op de schouders en het hoofd van de eekhoorn en klom op de muur.
“Wat is er aan de andere kant?” vroeg de eekhoorn.
“Het was lange tijd stil. Toen zei de mier “Niets.”
“Maar wat zie je dan?” vroeg de eekhoorn.
“Niets.”
“Maar als je naar beneden kijkt zie je dan geen grond?”
“Nee.”
“En lucht, je ziet toch wel lucht?”
“Nee, ook geen lucht.”
“Is het er dan donker?”
“Nee,” riep de mier “Het is er niets.”
Het was even stil de eekhoorn dacht na.
“Is het er soms heel oud?” vroeg hij toen. “Of grijs?”
“nee,” zei de mier. “Ook niet.”
“Kan je er iets horen?”
“Nee,” zei de mier “Niets”
“Is het er dan helemaal stil?”
“Nee”
“Maar als je niets hoort dan is het toch stil?”
“Ja,” zei de mier, “dat dacht ik ook. En toch is het niet stil. Het is niets.”
“Maar dat kan niet,” zei de eekhoorn.
“Nee,” zei de mier.
De eekhoorn dacht een tijd na.
“Waar ruikt het naar?” vroeg hij toen.
“Het ruikt niet,” zei de mier.
De eekhoorn zweeg en dacht weer een tijd na.
“Als je kon vliegen, kon je er dan overheen vliegen?” vroeg hij toen.
“Waaroverheen?”
“Daaroverheen.”
“Er is geen daar. Dat zeg ik je toch. Er is niets.”
“Kan je je dan niet aan de andere kant naar beneden laten zakken?”
“Er is geen andere kant! Er is maar één kant. En nu moet je niets meer vragen!”
De mier stapte weer op het hoofd van de eekhoorn en sprong op de grond.
Ze gingen met hun rug tegen de muur in het gras zitten.
Een hele tijd zwegen ze. Toen zei de eekhoorn: “Wat hebben we ver gelopen.” Hij keek over de enorme vlakte die zich uitstrekte tot het bos dat niet groter was dan een klein zwart puntje op de horizon. De mier zei niets. De eekhoorn kon zien dat hij nadacht. Het was alsof hij ergens niet op kon komen. Er stonden dikke rimpels op zijn voorhoofd.
Even later begon de mier een gat te graven onder de muur door. Driftig vloog de grond omhoog. Maar toen hij midden onder de muur was, kon hij niet verder graven.
“Ik kan niet verder,” hoorde de eekhoorn hem roepen.
“Waarom niet?”riep de eekhoorn terug.
“er is niets meer te graven.”
“Is er geen grond meer?”
“Nee.”
“Wat is er dan?”
Even was het stil, toen klonk er een zacht en aarzelend “Niets”. De mier kroop terug en ging naast de eekhoorn staan. Hij sloeg de aarde van zich af.
“Er moet toch een andere kant zijn,” zei hij, “Dat moet!”