1.J = twee keer C/Y
2.F = i staat in de noemer dus als dit stijgt, daalt de NAW
3.J = MV=PQ, V en Q constant en je P mag niet stijgen(inflatie,P stijgt) dus moet je M dalen, minder voorschotten= dalende M want bank kan minder weggeven
4.F = Rechts IS curve, een veel te hoge i, waardoor investeringen dalen en de V nr goederen kleiner wordt dan het aanbod dus aanbodoverschot
5.F logica
6.J onvrijwillig werklozen, bv er is geen positie beschikbaar voor iemand met jou diploma, je wil dus wel werken, maar kan niet
7.F volledige tewerkstelling: alle nodige arbeidsplaatsen zijn opgevuld, dit wil niet zeggen dat er geen werklozen meer zijn
8.J dit staat in de cursus bij de afleiding van de AV curve uit de IS-LM grafiek p 594-595
9.F= klassiek: stijle LM curve, en AA curve, vlakke IS en AV curve, de schokken worden opgevangen door flexibele prijzen , niet door hoeveelheidsaanpassingen
10.J = meer kosten, doorrekenen aan de consumenten, Prijs stijgt en Q daalt (hier ben ik niet 100% zeker)
11.F--> staat in cursus bij afleiding van de curves op arbeidsmarkt, aangezien het loon de Y as van dit assenstelsel is, en het aanbod an arbeid afhankelijk is van het loon zal er een verschuiving van de A curve zijn veronderstel ik
VRAAG 2
1.VERLAGEND: bruggepensioneerden vormen een deel van de niet actieve beroepsbevolking op actieve leeftijd. voordien was hij een niet werkende van de actieve beroepsbevolking(teller van de berekening werkloosheidsgraad)
2.DALING: bevolking op actieve leeftijd ct, en niet actieven constant--> de verschuiving vindt dus plaats tussen de werklozen en de werkenden van de actieve beroepsbevolking(zie schema oef 1C H14) stijging van de deeltijdarbeid, meer werklozen werken nu deeltijds, dus werkloosheidsgraad daalt
3.DAALT-MINDER: S= -Cnul + sY ; -Cnul stijgt, Cnul daalt dus, de consumptie = Cnul + cY daalt, Y= C+I, als C daalt, daalt Y ook maar in mindere mate
4.TEGENGESTELDE: Y= C+I+G
5.DALEN: M= MB * CP+D / CP + R ; R= rD, met r de kasreservecoefficient, ,als die dus groter wordt dan wordt de noemer groter en daalt M
6.EXPANSIEF: aankopen obligaties= er komt dus meer geld in het systeem en er verdwijnt 'papier'
7.VRAAGOVERSCHOT: Zie oefeningen Recht LM curve(Q is te hoog)
8.rechts-rechts-creeren-stijgen-dalen-kopen-verruimen: bedoeling is om productie op te drijven, IS nr Rechts en/ LM nr Rechts, begrotingstekort creeren--> overheidsuitgaven stijgen, dus G stijgt, dus IS stijgt. belastingen dalen, dan dalen de inkomsten van de overheid. en houdt het het publiek meer over. Overheidsobligaties kopen: meer geld in het systeem dus LM nr Rechts; Voorschotten verruimen: banken kunnen meer geld aan publiek geven: LM nr Rechts
9.STIJGEN: gewoon uitzetten in AA-AV grafiek, onmiddellijk zichtbaar
10.TEGENGESTELDE: Positieve helling van de AA curve
11.ONGEWIJZIGD- STIJGEN: Keynesianen IS steil, en LM vlak, AV steil en AA vlak. in extreme situatie zal P niks wijzigen, Q vangt de schokken op.