De Rode Duivels zijn een roedel wolven, waarvan er maar een paar schaapskleren dragen.
Lang geleden, toen de Belgen nog naar de Nederlandse televisie keken, vergaapten wij ons aan de Rijke Hollanders, uitbundige types in rigoureus oranje broek en veelkleurige foulard die zich, geenszins gehinderd door goede smaak, het leven lieten aanleunen aan de Côte d'Azur of in de Madurodamversie daarvan, het Gooi. De camera van Glamourland glipte overal binnen, Gert-Jan Dröge voorzag de leegte van mild ironisch commentaar, en wij konden na afloop op onze beide oren slapen, blij dat we niet rijk waren, want, zo wist oma al, ne rijke mens, dat is iet aardig.
Die stelling wordt kracht bijgezet in het tv-programma 'The sky is the limit', waar de uiterst gegoede medemens wordt geportretteerd, en aldus zichzelf vakkundig in zijn hemd zet. Dat mag dan wel van Polo Ralph Lauren zijn, het is en blijft pijnlijk.
Steven Defour was onlangs een van de slachtoffers. En werd nadien gefileerd door de kijkende medemens. Defour is langs een wel zeer bochtige regenpijp vanuit de goot opgeklommen tot aan een gouden dakgoot, en toonde die weelde gretig, net als velen die hetzelfde parcours achter de rug hebben. Of hij daarom ook meteen een domoor is, zoals half Vlaanderen nu ineens lijkt te weten, durf ik te betwijfelen. Dat de reportagemaker in de pers meent te moeten verkondigen dat de vriendin van de middenvelder thuis de lakens uitdeelt, is overigens een démarche waar Gert-Jan Dröge zaliger zich nooit aan liet vangen.
De inkijk in het leven van Steven Defour was maar een van de vele barstjes in het pantser van de Rode Duivels van de voorbije week. De bondscoach moet zich bij het lezen van de krant meermaals in zijn ochtendkoffie hebben verslikt. Spits Romelu Lukaku meldde dat van de hele kern internationals maar vier of vijf spelers begrijpen hoe hij moet worden aangespeeld, eerste doelman Thibaut Courtois probeerde reservekeeper Simon Mignolet monddood te maken (met een wel zeer averechts effect tot gevolg), en middenvelder Radja Nainggolan noemde zich beter dan concurrent Timmy Simons.
Slik. Waren al deze jongens dan geen inwoners van het Land van Melk en Honing, waar iedereen van iedereen houdt, en waar iedereen mekaar alles gunt? Waren dit niet de kerels die door hun uitzonderlijke kameraadschap het WK hebben bereikt? Vereeuwigd in koffietafelboeken als goden, oersterk van lichaam en nobel van geest? Dat sprookje is ons toch opgediend, door henzelf, door de marketeers, door hun resultaten?
Natuurlijk niet. Homo homini lupus, ook binnen de nationale ploeg. Vooral binnen de nationale ploeg. Stuk voor stuk hebben ze een survival of the fittest achter de rug, stuk voor stuk zijn ze het eindproduct van een hevige concurrentiestrijd. Tot competitiebeest gekweekt. Achter de engelenfaçades zitten mannen die over lijken gaan. Mannen die elkaar dulden, meer niet. Of durven ze aan de leugendetector met de tweekeuzevraag: wereldkampioen als bankzitter / kwartfinalist als basisspeler? Dat ding slaat tilt, wis en zeker.
Marc Wilmots trekt straks naar Brazilië met een roedel wolven, waarvan er maar een paar schaapskleren dragen, de paar die zelfs in deze uitermate getalenteerde groep onomstreden zijn. En dan nog, Courtois docet.
Maar niet getreurd, er is ook een groot voordeel aan alle barstjes van de voorbije week. We moeten de kwalificatiecampagne en de groepsgeest daarin niet langer romantiseren. En kunnen dus met een gerust hart de drieëntwintig beste spelers selecteren. En niet de liefste of de tofste. Wie weet is de sky dan the limit.