Tussen Mexico en de Dolomieten
De gele trui heeft de Tour verlaten. Hij heeft geen doping genomen - tenminste, hij is niet betrapt. Hij heeft gelogen. En daar is hij wel op betrapt. De Tour haalt opgelucht adem.
Dit verhaal begint meer dan een maand geleden. Het was 13 juni. Het regende oude wijven en het was koud in Predazzo, in Val di Fiemme in de Dolomieten. Davide Cassani, ex-prof en tegenwoordig commentator bij wielerwedstrijden op de Italiaanse tv, was op een trainingstocht om de wedstrijd Gran Fondo Gazzetta dello Sport te verkennen. Plots zag hij na een bocht een renner staan schuilen onder een boom. Cassani herkende hem: Michael Rasmussen, de Deense klimmer en tweevoudig winnaar van de bolletjestrui in de Tour de France. Cassani stopte om een praatje te maken en te schuilen voor de regen.
"Hoe gaat het?", vroeg Cassani.
"Goed, dank je. Jammer van het slechte weer. Ik moet oppassen dat ik niet ziek word, want binnenkort begint de Tour alweer", antwoordde Rasmussen.
"Dat zal wel. Zeker als je zo mager bent. Dan heb je nauwelijks weerstand."
Ze praatten nog vijf minuutjes over koers en andere kalfjes. "Bel me maar als er iets is waar ik je kan bij helpen", zei Cassani ter afscheid en reed naar huis. Hij had geen zin meer om in de regen verder te fietsen. Rasmussen reed de andere kant op, richting Passo San Pelegrino.
Het was een ontmoeting zoals er wel meer gebeuren tussen mensen op de fiets. Toevallig, en meteen erna totaal onbelangrijk. Davide Cassani had er geen flauw idee van dat dit verhaal de val van de komende Tourwinnaar zou inluiden.
Twee weken later. 's Ochtends valt in Holten, in de Nederlandse provincie Overijssel, een brief van de UCI in de bus bij Theo de Rooij. Het was niets uitzonderlijk, want De Rooij is de manager van de Rabobankploeg. Zo'n ploeg krijgt wel meer brieven van de Internationale Wielerunie. De Rooij scheurde de envelop open en begon te lezen. En moest toen gaan zitten. Michael Rasmussen, de Deense vedette van zijn ploeg en zijn garantie op succes in de Tour, had een officiële waarschuwing gekregen voor het missen van een onaangekondigde dopingcontrole. Het was vrijdag 29 juni en de woensdag erop zou hij met zijn equipe naar Londen vertrekken. Wat moest De Rooij nu?
Hij dubde een weekend lang, en speelde met het idee om de Deen thuis te laten. Zo schreef het antidopingreglement van de UCI het namelijk voor, in artikel XIV.8.220: "In geval van een geregistreerde waarschuwing of een gemiste controle in een periode van vijfenveertig dagen voor de start van een grote ronde, mag de renner niet deelnemen aan die ronde." De Rooij kende dat reglement, of werd verondersteld het te kennen.
Op maandag 2 juli rinkelde de telefoon op het kantoor van Anne Gripper, de coördinatrice van het antidopingprogramma van de UCI. Zij is het die de verantwoordelijkheid draagt over de 'whereabouts', de documenten die alle renners in de ProTour ter wereld verplicht driemaandelijks moeten insturen. Bij haar komen ook de wijzigingen in het vooropgestelde programma terecht. Uit de database die zij beheert, putten de verschillende antidopingagentschappen hun gegevens om onverwachte controles uit te voeren.
"Met Theo de Rooij."
"Hi Theo, alles goed?", antwoordde Gripper.
De Rooij was allesbehalve vrolijk. Integendeel. Hij vroeg Gripper hoe het mogelijk was dat Rasmussen een waarschuwing had gekregen. Een geregistreerde, bovendien. Nog twee zulke waarschuwingen en Rasmussen zou dezelfde straf krijgen als een echte dopingzondaar. Het was de eerste geregistreerde waarschuwing die bij De Rooij in de bus viel. Een jaar eerder, in maart 2006, had hij een heel pakketje gekregen omdat al zijn renners hun whereabouts te laat hadden ingestuurd. Er was onduidelijkheid geweest over de manier waarop het moest, per brief, per fax of per e-mail. De Rooij had de zaak voor zichzelf geklasseerd. De waarschuwing kwam er omdat Rasmussen een controle gemist had op 21 juni, bij hem thuis in Italië, aan de boorden van het Gardameer. Het was al de tweede keer, zo legde Gripper uit. Rasmussen was ook al niet thuis op 8 mei. Of 6 april, want daar raakten de UCI en Rabobank het achteraf niet over eens.
"Vandaar de waarschuwing", zei ze.
"Rasmussen heeft bij onze interne controles nooit een verdachte waarde laten optekenen. Maar controleer hem vooral streng. En wilt u het mij meteen melden als er iets mis is?", antwoordde De Rooij.
"Tuurlijk, Theo. Geen probleem."
"Kan Rasmussen eigenlijk de Tour nog rijden?"
"Ja, dat kan", antwoordde Gripper, en ging daar in de fout.
De Rooij was ongerust. En boos. Want er scheen een groot probleem te zijn met Rasmussens whereabouts voor de maand juni. Hij had de Deen er een boete van 10.000 euro voor gegeven. Een schijntje, voor een renner die ongeveer een miljoen euro per jaar opstrijkt. In de lange, saaie dagen voor de Tour sprak de ploegmanager daarover met zijn reservekopman.
Rasmussen had pas op 26 juni weer een teken van leven gegeven, na tweeëntwintig dagen stilte. Hij was in Denemarken aangekomen omdat hij het Deense kampioenschap moest rijden. Sinds 4 juni liet hij telefoons onbeantwoord, e-mails bleven zonder reply. Rasmussen was foetsie. Het was al eens eerder gebeurd. In de Giro van 2006 startte Rasmussen niet meer op vrijdag 19 mei, in de etappe naar Sestri Levante. Hij verdween, zonder iemand te verwittigen. Pas negen dagen later dook hij weer op. En was achteraf boos dat De Rooij zich erover opgewonden had.
"Ik zat in Mexico, Theo. In Durango. Bij mijn schoonmoeder. Ik heb er getraind, hoor. Je weet toch dat ik dat doe?", zei Rasmussen met een uitgestreken gezicht.
Wat Rasmussen niet wist, was dat hij die avond in Londen zichzelf onmogelijk had gemaakt als Tourwinnaar
Fast forward. Woensdagavond, bijna middernacht. Theo de Rooij sleepte zich door de gang van het Mercurehotel van Pau. Hij was plots een oude, gebroken man. De droom van de gele trui op de Champs-Elysées was stukgeslagen. De Rooij ontmoette er José Miguel Echavarri, de ploegmanager van Caisse d'Epargne en een oude collega - dikwijls partner in crime in koers en aanverwante zaken. De kleine Spanjaard had het nieuws al gehoord en wou zijn vriend een hart onder de riem steken.
"Theo, je moet weten dat ik ondanks alles je altijd zal steunen. Je bent mijn vriend. We kennen mekaar al zo lang. Ik sta achter je beslissing."
"Ach. Bedankt. Het is niet meer nodig. Maandag dien ik mijn ontslag in bij Rabobank", zuchtte De Rooij.
In de lobby van hotel Mercure - precies aan de overkant van de straat van Hotel La Palmeraie, waar dinsdag Alexandre Vinokoerov met stille trom vertrokken was - stond op dat moment een horde van bloeddorstige journalisten. De gele trui was uit de Tour gegooid! Een reactie, nu! Op een grasperkje buiten zaten krantenjongens te tikken, op een tijdstip dat de deadline normaal al voorbij is. Maar overal ter wereld werden de persen stilgelegd. Michael Rasmussen, sinds een week de meest gehate en verwenste bijna-Tourwinnaar, was eindelijk verdwenen. Weggejaagd als een hond. Maar waarom? Waarom?!
De verdenkingen wogen zwaar op de Deen en de druk op zijn ploeg was groot. Er waren die twee gemiste controles van de UCI, maar er waren er ook twee van het Deense antidopingagentschap ADD. Er was gefoefel met Mexicaanse en Monegaskische licenties. Er was vooral ook de gebrekkige communicatie errond, met een miskleun van een persconferentie op de rustdag in Pau. Het regende halve waarheden en foute feiten.
De Rooij wíst dat er iets mis was, en dat hij eigenlijk Rasmussen had moeten thuislaten. Maar dat is wieleropportunisme. Zoals Gianluigi Stanga naar Jörg Jaksche belde toen de Duitser zijn verhaal aan Der Spiegel wou vertellen/verkopen. Misschien waaide de storm wel over, misschien kwamen Ze (de media) er wel niet achter. Misschien was dat ook wel gebeurd, als 1. Rasmussen niet op weg geweest was de Tour te winnen, en 2. Deense journalisten niet elke stap van Rasmussen controleerden.
Want zo was het gegaan: Niels Christian Jung van de Deense DK DR TV had woensdagnamiddag Davide Cassani voor zijn camera gehaald. Jung, die in Milaan woont, had van een vriend in Italië het verhaal gehoord dat Cassani op de RAI verteld had. In de rit naar Tignes, waar Rasmussen voorop reed, won en de gele trui pakte, kleurde Cassani de uitzending met het spitante verhaal van de ontmoeting in de regen onder een boom in Val di Fiemme. Jung vertelde het aan een Nederlandse collega en die belde naar De Rooij voor een reactie. Toen moest De Rooij weer gaan zitten.
Een paar uur eerder had Michael Rasmussen de Tour gewonnen. Hij had op de Aubisque zijn naaste belager Alberto Contador in de laatste klimkilometer van de Tour losgereden en zijn voorsprong in het klassement tot ruim drie minuten vergroot. Maar toen hij in het Mercurehotel aankwam, veel vroeger dan zijn ploegmaats want Rasmussen was per helikopter van op de Aubisque ontzet, trof hij Theo de Rooij er niet in feeststemming. Integendeel.
"Waar was jij in juni?", vroeg De Rooij.
"In Mexico, bij mijn schoonmoeder in Durango. Dat heb ik je toch al gezegd?", antwoordde Rasmussen.
"Dat heb je gezegd, ja. En dat heb je ook zo opgegeven in je whereabouts. Maar het is niet waar. Je was in Italië. Davide Cassani heeft je er gezien. Hij heeft zelfs met je gesproken."
Stilte.
"Is het waar of niet, Michael?"
"Ja."
"Dan moet je meteen de ploeg verlaten. Je hebt gelogen. Je hebt ons vertrouwen geschonden."
De Rooij had er sinds het telefoontje diep over nagedacht. Hij had met de directie van de Rabobank getelefoneerd. Er was crisisberaad geweest. De directie van de bank had al beslist om de Deen meteen te ontslaan. Maar het was De Rooij die de eindbeslissing moest nemen. Niemand anders wist ervan.
Zelfs Erik Breukink niet. De ploegleider van Rabobank zat nog helemaal in de euforiestemming toen hij na een lange autorit in Pau arriveerde. Hij had sinds de aankomst op de Aubisque zijn Tourwinnaar niet meer gezien.
"Hé Michael, proficiat! Dat was schitterend werk vandaag", zei Breukink en stak zijn hand uit om die van Rasmussen te drukken.
"Laat maar. Het is allemaal niet meer nodig."
Breukink bleef verbaasd achter en vroeg De Rooij om uitleg. Die kwam er, niet veel later, in de ploegbus op de parking. Het was ijzig stil toen Theo de Rooij zijn renners en hele staf het nieuws vertelde.
Rasmussen nam het woord, boos. Hij zei dat hij het een onbegrijpelijke beslissing vond en dat hij ze zou aanvechten. Hij gaf toe dat hij een fout had gemaakt en dat hij daarvoor al een boete van 10.000 euro had betaald. Het was te laat. Rasmussen had één keer te veel gelogen.
Om tien over elf 's avonds pikte een auto Rasmussen op, kort voor de meeste journalisten zouden arriveren. Erik Dekker, de andere ploegleider van Rabobank, reed met hem mee tot aan een ander hotel, weg van de camera's. Ze spraken geen woord. Rasmussen zat op de achterbank te telefoneren. En op het eind brak hij in snikken uit. De Tour was verloren. Zijn carrière ook.
De volgende ochtend vertrok de etappe in Pau, aan Palais Beaumont waar Rasmussen twee dagen eerder zijn persconferentie gaf. De jongens van Rabobank waren er toch, ondanks een woelige nacht, overgoten met rum en cola en met maar drie uurtjes slaap. Toen de eerste coureur het startblad kwam tekenen, klonk er luide muziek. "Sendin' out an SOS. Sendin' out an SOS", zong Sting. Het was een noodkreet. Voor het hele wielrennen. (Sven Spoormakers)