Goed nieuws voor de fans van het boek: de film loopt braaf in het gareel. Slecht nieuws voor de filmfan: ,,The Da Vinci code'' is vaak vervelend en soms onbegrijpelijk.
DE meest verwachte film van het jaar landde gisteren eindelijk in België en gedurende ruim twee uur riepen stemmetjes in ons achterhoofd dat het sop de kool niet waard was. Het flairloze The Da Vinci code speelt het klaar om tegelijkertijd zo ingewikkeld te zijn als een encyclopedie en zo simplistisch als een album van Jommeke. De fans zullen wellicht niet zo teleurgesteld zijn. Die hadden al een film in hun hoofd en wat ze in de bioscoop te zien krijgen, zal lijken op een korte inhoud daarvan. Behalve drastisch comprimeren - onvermijdelijk om een boek van 429 bladzijden vol plotwendingen te passen in een film van ruim twee uur - veroorlooft Ron Howard zich weinig afwijkingen.
Zelf behoor ik tot de minderheid van de Vlamingen die het boek niet gelezen heeft. Ik kon me niet voorbij de kromme schrijfstijl van de eerste pagina's werken. Daarom kan ik de film op zijn eigen merites beoordelen, en die zijn gering. Ik zag personages zonder diepgang en een plot die pas in zijn laatste kwart - als de Grote Geheimen eindelijk ontsluierd worden - enigszins weet te boeien.
In de nu al beroemde opening van het boek en de film wordt in het Louvre de curator vermoord door een sinistere albino. De bekende symbolendeskundige Robert Langdon (Tom Hanks) wordt verdacht, en slaat op de vlucht met de kleindochter van de vermoorde curator, Sophie Neveu (Audrey Tautou): ze voelen dat ze een duister complot op het spoor zijn en dat ze geen tijd te verliezen hebben.
Wat daarna gebeurt, is een repetitieve aaneensluiting van gelijkaardige scènes. Langdon en Neveu ontdekken ergens een zeer cryptische boodschap, weten de code te breken en begeven zich naar de volgende eeuwenoude kapel om daar een andere tip te vinden. Het zou op een duffe puzzeltocht uit de weekendkrant lijken, als die albino en andere snoodaards er niet waren om hen af en toe naar het leven te staan.
De charme van het boek is dat de lezer onderweg heel wat opsteekt over interessante mythische kwesties zoals de Heilige Graal, de wiskundige reeks van Fibonacci, de mens van Vitruvius en de Priorij van Sion. In het bestek van een film is er echter geen plaats voor encyclopedische uitwijdingen. Niet dat er al niet genoeg informatie door je strot geramd wordt als kijker: je dreigt er het noorden bij te verliezen. Om dit boek verfilmbaar te maken, waren er slechts twee mogelijkheden: ofwel er een lange tv-reeks van maken, ofwel drastisch wieden in de lange reeks stappen op weg naar de ontrafeling van het raadsel. Dat durfde de scenarist Akiva Goldsman niet aan, omdat het de fans voor het hoofd zou stoten.
Langzamerhand wordt de essentie duidelijk van een eeuwenoud complot. De beroemde Heilige Graal is geen gouden drinkbeker, maar een symbool voor iets heel anders. Als dat geheim ooit ontrafeld wordt, storten de fundamenten onder de machtsbasis van de katholieke kerk in. En dus woedt er achter de schermen sinds mensenheugenis een strijd tussen het kerkelijke establishment dat de sporen uit de weg wil ruimen en de Priorij van Sion die het geheim tracht te beschermen.
Het verhaal achter de Moeder aller complotten is een tikje voorspelbaar, maar explosief genoeg om te boeien. Dat bisschoppen en kardinalen hoogst ongerust zijn dat hun gelovigen dit - grotendeels fictieve - verhaal slikken als zoete koek, is zelfs te begrijpen.
Dat het in de film niet werkt, heeft diverse redenen. Allereerst die simplistische raadseltjesstructuur. Verder de personages, die van bordkarton zijn: dat zijn ze ook in het boek, heb ik begrepen, maar de vertolkingen helpen niet. Tautou en vooral Hanks zijn flets. Paul Bettany (de zich kastijdende monnik-killer Silas), Jean Reno (de Opus-Deipolitieman) en Alfred Molina (bisschop Aringarosa) zweven op het randje van het belachelijke. De enige die wat charme, humor en intelligentie toevoegt, is Ian McKellen, die Sir Leigh Teabing vertolkt, de geleerde die de sleutel tot de grootste geheimen in zijn handen houdt.
Cinematografisch doet de regisseur Ron Howard ook niet veel met het materiaal. Hij laat zijn fraaie locaties niet optimaal tot hun recht komen en verzuimt om de schaarse actiescènes memorabel te maken. Visueel is The Da Vinci code bijna banaal, al is er wel iets te zeggen voor de naar zwart-wit neigende historische evocaties die de vele uitleggende scènes begeleiden.
Wat het meeste stoort, zijn de enorme gaten in het verhaal. Hoewel ik de essentie wel vatte, ontging de logica van belangrijke ontwikkelingen mij volkomen. Volgens een collega die het boek wel gelezen heeft, ligt dat niet aan mij. Er gapen gewoon gaten in de plot, zo groot als een grafkelder in de Temple Church.
Howard en zijn ploeg hebben te lang met hun hoofd in deze materie gezeten en gaan uit van voorkennis die lang niet iedereen heeft. Dat is onvergeeflijk. Een filmmaker hoort er nooit van uit te gaan dat zijn publiek bestaat uit lezers van het boek. Een film die zijn kijkers hoofdpijn bezorgt door hem interessante vraagstukken als huiswerk mee te geven, is een geschenk. Een film die de kijkers hun bakje overvol laadt met interessante weetjes maar zijn eigen draad verliest, is op zijn minst half mislukt.