Op 16 januari 2025 neemt Anderlecht het in het Lotto Park op tegen Antwerp. Het is de heenwedstrijd in de halve finale van de Belgische beker, Anderlecht wint met 1-0. In de loge van Antwerp-eigenaar Paul Gheysens is het een komen en gaan van schoon volk: Kenneth Bornauw (op dat moment nog de non-sports-CEO van Anderlecht) is erbij, en Vincent Mannaert, die kort voordien in dienst is getreden als sportdirecteur van de voetbalbond. Ook de toenmalige Anderlecht-voorzitter Wouter Vandenhaute loopt even langs.
Die winter heeft de bond het plan opgevat om de thuiswedstrijden van de Rode Duivels in 2025 niet in het Koning Boudewijnstadion te laten plaatsvinden, maar in kleinere Belgische stadions. Ook met Anderlecht lopen er gesprekken: volgens de ene bron gaan die stroef, volgens de andere vlot. Mannaert klampt Bornauw aan en stelt voor om nog diezelfde avond een deal te sluiten.
De vraag overvalt Bornauw. Hij praat geregeld met Peter Willems en Manu Leroy, respectievelijk de CEO en de marketingdirecteur van de KBVB, en hij zegt tegen Mannaert dat het niet het goede moment is, en al helemaal niet de juiste plek. Die heeft daar geen oren naar, hij verheft zijn stem. Bornauw maant hem tot kalmte aan, maar dat heeft een averechts effect: Mannaert wordt alleen maar kwader. Anderlecht-hoofdaandeelhouder Marc Coucke, die erbij is komen staan, heeft genoeg gezien en wandelt weg.
De pijnlijke scène duurt niet lang, maar voor de aanwezigen illustreert ze een bekend fenomeen: Mannaerts opvliegende karakter wanneer hij gedronken heeft. Antwerp-CEO Sven Jaecques belt de chauffeur van Mannaert op en begeleidt hem alvast naar buiten. Voor Mannaert staat het vast: ‘Over my dead body dat we ooit op Anderlecht gaan spelen!’