Zondag
De zon steeg boven de tuinen van de verkaveling alsof ze een openluchtgrill was, klaar om de bovenarmen van de Vlaming medium rare te roosteren. "Wat een schoon weer," zei vader, terwijl hij zijn zonnebril opzette met factor nul. “Perfect om wat vitamine D op te doen en huidkanker te kweken.” Hij lachte tevreden. Het was tenslotte zondag.
Op tafel pruttelden de eitjes van de kippen achterin de tuin. Trots schraapte moeder het PFAS-laagje van de dooier en zei: “Biologisch, met een vleugje industrieel erfgoed.” De kinderen smulden, hun handjes plakkerig van de choco en de microplastics die als stuifmeel door de lucht dansten.
Een zachte bries bracht de geur van pas gemaaid gras, vermengd met de karakteristieke dieseltoetsen van de nabijgelegen steenweg. “Ah, de geur van vooruitgang,” mompelde grootvader, terwijl hij zijn longen vol zoog met fijnstof en herinnering.
De bijen waren dood, maar dat wist niemand, want er zaten nog vliegen genoeg op de confituur.
Moeder smeerde zonnecrème met factor 50 op het jongste kind, dat daarna prompt in de plastic opblaaszwembad dook — gevuld met kraantjeswater dat net onder de EU-norm bleef. “Nog altijd veiliger dan kraanwater in Frankrijk,” zei vader. Hij geloofde dat echt. Dat was het mooie eraan.
Tegen de middag klonk het gezoem van de eerste grasmaaiers en bladblazers in de straat. Het Vlaamse zondagconcert, live en ongefilterd. Een symfonie van lawaai en lichte verstikking.
En toch, ondanks alles — of misschien dankzij alles — was het gezellig. Zoals het hoort.