Kindertal gelijk onder autochtonen en niet-westerse allochtonen
Het gemiddeld kindertal van niet-westers allochtone vrouwen in Nederland is ongeveer gelijk aan dat van autochtone vrouwen. Onder autochtone vrouwen was het kindertal in 2012 1,7 en onder niet-westerse allochtonen 1,9. Het vruchtbaarheidscijfer verschilt afhankelijk van het geboorteland van de moeder. Van de vier grootste groepen niet-westerse allochtonen in Nederland ligt het kindertal van Marokkaanse vrouwen het hoogst (2,4), gevolgd door Turkse vrouwen (1,8) (zie figuur 1). Antilliaanse/Arubaanse (1,7) en Surinaamse (1,6) vrouwen hebben een iets lager kindertal dan autochtone vrouwen. Het hogere aantal levendgeborenen onder niet-westers allochtone vrouwen wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de hogere vruchtbaarheid op jonge leeftijd. Vanaf dertigjarige leeftijd is het verschil in vruchtbaarheid niet groot meer (Garssen & Nicolaas, 2006) en dat heeft een verlagend effect op geboortecijfers.
Kindertal allochtonen gedaald, kindertal autochtonen gestegen
In de afgelopen 18 jaar is het gemiddeld kindertal bij de niet-westers allochtone bevolking iets gedaald en bij de autochtone bevolking iets gestegen (zie figuur 2). Had een Marokkaanse vrouw in 1996 nog gemiddeld 3,3 kinderen, in 2012 was dit 2,4 kinderen. Ook bij Turkse vrouwen is een dalende trend zichtbaar: het gemiddeld kindertal per vrouw daalde tussen 1996 en 2012 van 2,3 naar 1,8 kinderen per vrouw. Onder autochtone vrouwen steeg het kindertal juist iets in de afgelopen achttien jaar (van 1,5 in 1996 naar 1,7 in 2012). Dat laatste heeft vooral te maken met het einde van het uitstelgedrag, dat zich bij de autochtone groep als eerste manifesteert. Bij de meeste allochtone groepen is het uitstelgedrag nog gaande. Zie ook: Icoon: Interne link naar documentWat waren de belangrijkste ontwikkelingen in het verleden?
Tienergeboorten bij niet-westerse allochtone vrouwen in versnelde mate afgenomen
Het aantal tienergeboorten is de laatste jaren bij alle bevolkingsgroepen afgenomen, bij niet-westerse allochtone vrouwen zelfs in versnelde mate (Garssen, 2008a). Het verschil in vruchtbaarheid tussen autochtonen en niet-westerse allochtonen is het grootste bij meisjes onder de twintig jaar. In 1996 kwamen tienergeboorten ongeveer acht keer zo vaak voor bij niet-westerse allochtone vrouwen als bij autochtone vrouwen. In 2012 is dit teruggelopen tot 2,5 keer zo vaak (zie figuur 3). De meeste tienergeboorten komen voor bij eerste generatie niet-westerse allochtone vrouwen (CBS StatLine, 2013).