PBR Streetgang
Legacy Member
Het is alweer lang geleden dat ik scores postte voor de films die ik zag. Het zijn er ondertussen zo veel geworden sinds de laatste keer dat ik ze niet allemaal wil posten hier. Vandaar een andere aanpak deze keer.
Centraal in de voorbije twee maanden stonden voor mij twee regisseurs: Michael Mann en William Friedkin. In de laatste maanden ben ik op een volledige trip gegaan en vele films van deze regisseurs bekeken en herbekeken omdat ik er gewoonweg niet genoeg van kan krijgen.
Ali (Michael Mann, 2001): fantastische film die het niet doet op de formulaische biopic-wijze. Het heeft een tijdje geduurd voor ik de moed kon bijeenschrapen om deze te bekijken aangezien ik biografische films meestal oersaai vind. Maar omdat Mann deze regisseerde dacht ik dat er toch wel iets aantrekkelijks aan moest zijn - waarom zou hij zich anders op zulk een project werpen? En gezien Mann een perfectionist en purist is van het Kubrick-kaliber, vond ik het nodig om deze een kans te geven. Man, man, man, wat heb ik genoten hiervan... Vanaf het begin was het al duidelijk dat om een auteursfilm ging: de herkenbare Mann-esthetiek was aanwezig, en de keuze om een film over Ali te beginnen met een montage bestaande uit beelden van een optreden van Sam Cooke, beelden van een Malcolm X rally en beelden van Ali running in the streets at night wierp meteen al de biopic-formule op zijn kop. Erg knap, al duurde de film net iets te lang.
Manhunter (Michael Mann, 1986): Het is al een tijdje geleden sinds ik The Silence of the Lambs zag en kan het dus niet meer met 100% zekerheid zeggen, maar voorlopig stel ik vast dat Manhunter de allerfijnste Hannibal Lecter-film is die we te zien kregen. Hier wordt de rol van psychopaat psycholoog verzorgd door Brian Cox, maar de show wordt gestolen door William Petersen, de fantastische acteur die jammer genoeg geen grote ster is geworden. Ook de supporting cast van Dennis Farina en Tom Noonan is indrukwekkend en effectief. Manhunter is cool, Manhunter is camp, Manhunter is stylish en Manhunter is thrilling. Geen idee waarom deze fantastische thriller deze dagen niet meer zo bekend is. Het lijkt vaak genoeg zo dat auteurscinema uit de '80s ondenkbaar is in Hollywood, maar hier is een bewijs dat dat echt niet het geval hoeft te zijn (ook al is het verschil met de voorgaande decennia wel belachelijk groot
)
Thief (Michael Mann, 1981): Ah, de film waar het allemaal begon. Het speelfilmdebuut van Michael Mann, en wat een stijlvolle manier om je stempel te zetten. Na Thief keerde Mann geregeld terug naar de thematiek van de romantische crimineel en de codes waarbij hij leeft, steeds in andere permutaties en met een andere kijk. Thief mag dan niet bij de allerfijnste films horen die Mann maakte, daarvoor mankeert hij wat nuance in de karaktertekening van het hoofdfiguur, maar de hypnotiserende score van Tangerine Dream, de fenomenale heist scenes, het wondermooie nachtelijke landschap waar Mann zo veel van houdt en de formidabele staging van actiescenes tillen deze film ver boven het niveau van de gemiddelde actiefilm. Geheel onmisbaar voor de fan van misdaadfilms en de fan van '80s cool.
Collateral (Michael Mann, 2004): Oké, tijdens de eerste veertig minuten van de film was ik de kluts kwijt, aangezien er erg veel informatie op korte tijd naar je wordt afgevuurd. En aangezien Mann niet werkt met de gebruikelijke overdaad aan expositie in zijn films, leidt dit bij mij soms tot verwarring. Maar na een tijdje had ik alle gebeurtenissen op een rijtje gezet en kon ik weer helemaal meevolgen en ten volle genieten van de rest van de film, die aan een enorm tempo voorbijraasde. Mann doet hier heel de film lang wat ik hem zo graag zie doen: geweldige nachtfotografie en de daarbij horende city lights in de achtergrond, functioneel gebruik van kleur, weergaloze geluidsmontage, en uiterard ook weer die ongelooflijke mise-en-scene van achtervolgingen en shootouts.
Sorcerer (William Friedkin, 1977): Misschien heb ik deze eerder al vermeld, maar fuck it. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe goed ik deze film vond. Fantastische no bullshit thriller over vier personen verspreid over de wereld voor wie het noodlot toeslaat en ze noodgedwongen een levensgevaarlijke reis door een stuk Zuid-Amerikaans regenwoud ondernemen, met een serieuze dosis nitroglyvcerine achterin de vrachtwagen. Voor sommigen zal dit bekend klinken: misschien zagen ze eerder de andere verfilming van het boek, Les salaires de la peur, ofwel kennen ze het concept van de lachwekkende Vertical Limit. Eender welke film met een gelijkaardige premisse... maakt niet uit. Sorcerer is beter. En weeral die heerlijke score van Tangerine Dream die suggereert dat er steeds een evil entity aan het spelen is met het lot van de personages in de film. Heerlijk. En Sorcerer bevat ook de meest zenuwslopend spannende sequentie die ik ooit in een film zag.
Cruising (William Friedkin, 1980): De leatherbars van New York City worden geterroriseerd door een homo-killer die de lokale politie keer op keer lijkt te ontglippen. Een relatief jonge Al Pacino duikt undercover in een poging om de killer uit te lokken. Klinkt een erg simpele set-up, maar Friedkin houdt de film interessant en verfrissend door het zijn publiek moeilijk te maken om de identiteit van de killer te achterhalen en ook door de morele en seksuele codes van Pacino's personage te gaan problematiseren doorheen de film. Friedkin combineert hier op erg interessante wijze zijn gebruikelijke gevoel voor realisme met een mystieke vertelstijl die geregeld meer vragen stelt dan oplost. Dit maakt het een van de meest interessante slashers die er zijn imo.
To Live and Die in L.A. (William Friedkin, 1985): Friedkins meesterlijke misdaadfilm, in sommige opzichten een remake van zijn eigen The French Connection, is een geweldige cops and criminals film over Secret Service agent William Petersen (in de rol die ervoor zorgde dat Michael Mann hem caste voor zijn geweldige Manhunter) die geldvervalser Willem Dafoe op de hielen zit en probeert te arresteren. To Live and Die in L.A. lijkt in vele instanties op een simpele actiefilm, maar de visuele stijl en de romantiek in de film (die overeenkomt met de stijl en thematiek van de cinema van Michael Mann) tilt de film naar een niveau dat we weinig te zien kregen in dit decennium. De aandacht voor kleur in atelierkunst en straatkunst komt in enorm veel scenes goed tot zijn recht, vaak krijg je erg coole composities te zien die rechtstreeks uit een klaurenfilm van Godard zouden kunnen komen.
Voor de rest zal ik voortgaan in een soort "Movie of the Week"-stijl, beginnende met vijf weken geleden:
Phase IV (Saul Bass, 1974): De man die een erg indrukwekkende carriere maakte als productieontwerper voor ontelbare Hollywoodfilms heeft zich éénmaal achter de camera gewaagd voor een speelfilm. Gelukkig voor de genrefans koos hij ervoor om een sci-fi horror te maken. De film, een vrij simpel verhaal over kwaadaardige woestijnmieren, is ontzettend goed geregisseerd. De scenes waarin je de mieren georganiseerd te werk ziet gaan zijn inventief, ludiek, maar vooral getuigen ze van een enorm veel geduld en aandacht voor detail in de mise-en-scene van, wel, mieren. Waanzin.
The Landlord (Hal Ashby, 1971): Het was moeilijk om te kiezen tussen deze film en Straight Time van Ulu Grosbard - een minder bekende regisseur die enorm veel talent leek te hebben vooraleer zijn carriere de dieperik inging na het ondergewaardeerde Falling in Love - maar uiteindelijk koos ik voor The Landlord omdat die zo fris en vernieuwend was op vormelijk vlak en omdat die visueel dingen doet die helemaal up my alley zijn. De invloed van de Franse Nouvelle Vague was al eerder merkbaar in Amerikaanse cinema (zie Mickey One van Arthur Penn of Hi Mom van Brian De Palma), maar nooit eerder zag ik in Hollywood zo'n geslaagde integratie van vervreemdende vertelstijl, oddball narrative, sociale commentaar (al dan niet satirisch) en pakkend drama als The Landlord. Iedereen die vertrouwd is met Ashby's werk zal wel weten dat hij een man van vreemde verhalen is. The Landlord is geen uitzondering. Maak er werk van om deze te zien.
Hanyo aka The Housemaid (Kim Ki-young, 1960): Een minder bekende Koreaanse film die onlangs, dankzij Martin Scorsese’s restauratieproject, in de spotlight geworpen werd. Het gaat om een erotische thriller waarin een man verleidt wordt door zijn poetsvrouw, wat desastreuze gevolgen heeft voor zijn gezinsleven. De film legt heel wat frustraties van het dagelijkse leven bloot en schrikt ook niet weg van enorme seksuele spanningen. Als de combinatie Alfred Hitchcock en Luis Bunuel klinkt als een interessant concept, dan moet je zeker Hanyo een kans geven.
Three Days of the Condor (Sydney Pollack, 1975): Enorm entertainende Koude Oorlog-thriller met een hoog conspiracy-gehalte en aan een aangenaam, vlot tempo. Robert Redford speelt, zoals je kan verwachten, met veel charisma en de chemistry tussen hem en Faye Dunaway zat ook erg goed. De film werkt als een goede ‘companio piece’ met All the President’s Men, een film die ook inspeelt op de 1970s Cold War paranoia.
Miracle Mile (Steve de Jarnatt, 1988): Er zijn weinig dingen die me zo veel plezier geven als het ontdekken van onbekende, ongeappreciëerde films en tijdens het kijken beetje bij beetje beseffen dat je naar een meesterwerk aan het kijken bent. Miracle Mile voelde zo aan voor mij. Ik ben op de film gestoten door het opzoeken voor welke films Tangerine Dream de score verzorgde. Na Sorcerer en Thief te hebben gezien, hoopte ik dat er nog meer te ontdekken was. Een van de films was deze Miracle Mile, waar ik nooit eerder over had gehoord en waarvan ik - buiten dan de componisten - geen enkele naam uit de productie kende. Een jongeman begint aan een veelbelovende romance met een meisje dat hij tegenkomt in een Natural History Museum. Na een misverstand komt hij een vreselijk staatsgeheim te weten over het nakende einde van de wereld en dan begint zijn zoektocht naar zijn geliefde. Ach, het is gewoon fantastisch. Als je je ooit zou hebben afgevraagd hoe Cloverfield er had uitgezien moest Jacques Demy het geregisseerd hebben, dan mag je er geen seconde over nadenken om hem te zien.
Centraal in de voorbije twee maanden stonden voor mij twee regisseurs: Michael Mann en William Friedkin. In de laatste maanden ben ik op een volledige trip gegaan en vele films van deze regisseurs bekeken en herbekeken omdat ik er gewoonweg niet genoeg van kan krijgen.
Ali (Michael Mann, 2001): fantastische film die het niet doet op de formulaische biopic-wijze. Het heeft een tijdje geduurd voor ik de moed kon bijeenschrapen om deze te bekijken aangezien ik biografische films meestal oersaai vind. Maar omdat Mann deze regisseerde dacht ik dat er toch wel iets aantrekkelijks aan moest zijn - waarom zou hij zich anders op zulk een project werpen? En gezien Mann een perfectionist en purist is van het Kubrick-kaliber, vond ik het nodig om deze een kans te geven. Man, man, man, wat heb ik genoten hiervan... Vanaf het begin was het al duidelijk dat om een auteursfilm ging: de herkenbare Mann-esthetiek was aanwezig, en de keuze om een film over Ali te beginnen met een montage bestaande uit beelden van een optreden van Sam Cooke, beelden van een Malcolm X rally en beelden van Ali running in the streets at night wierp meteen al de biopic-formule op zijn kop. Erg knap, al duurde de film net iets te lang.
Manhunter (Michael Mann, 1986): Het is al een tijdje geleden sinds ik The Silence of the Lambs zag en kan het dus niet meer met 100% zekerheid zeggen, maar voorlopig stel ik vast dat Manhunter de allerfijnste Hannibal Lecter-film is die we te zien kregen. Hier wordt de rol van psychopaat psycholoog verzorgd door Brian Cox, maar de show wordt gestolen door William Petersen, de fantastische acteur die jammer genoeg geen grote ster is geworden. Ook de supporting cast van Dennis Farina en Tom Noonan is indrukwekkend en effectief. Manhunter is cool, Manhunter is camp, Manhunter is stylish en Manhunter is thrilling. Geen idee waarom deze fantastische thriller deze dagen niet meer zo bekend is. Het lijkt vaak genoeg zo dat auteurscinema uit de '80s ondenkbaar is in Hollywood, maar hier is een bewijs dat dat echt niet het geval hoeft te zijn (ook al is het verschil met de voorgaande decennia wel belachelijk groot
)Thief (Michael Mann, 1981): Ah, de film waar het allemaal begon. Het speelfilmdebuut van Michael Mann, en wat een stijlvolle manier om je stempel te zetten. Na Thief keerde Mann geregeld terug naar de thematiek van de romantische crimineel en de codes waarbij hij leeft, steeds in andere permutaties en met een andere kijk. Thief mag dan niet bij de allerfijnste films horen die Mann maakte, daarvoor mankeert hij wat nuance in de karaktertekening van het hoofdfiguur, maar de hypnotiserende score van Tangerine Dream, de fenomenale heist scenes, het wondermooie nachtelijke landschap waar Mann zo veel van houdt en de formidabele staging van actiescenes tillen deze film ver boven het niveau van de gemiddelde actiefilm. Geheel onmisbaar voor de fan van misdaadfilms en de fan van '80s cool.
Collateral (Michael Mann, 2004): Oké, tijdens de eerste veertig minuten van de film was ik de kluts kwijt, aangezien er erg veel informatie op korte tijd naar je wordt afgevuurd. En aangezien Mann niet werkt met de gebruikelijke overdaad aan expositie in zijn films, leidt dit bij mij soms tot verwarring. Maar na een tijdje had ik alle gebeurtenissen op een rijtje gezet en kon ik weer helemaal meevolgen en ten volle genieten van de rest van de film, die aan een enorm tempo voorbijraasde. Mann doet hier heel de film lang wat ik hem zo graag zie doen: geweldige nachtfotografie en de daarbij horende city lights in de achtergrond, functioneel gebruik van kleur, weergaloze geluidsmontage, en uiterard ook weer die ongelooflijke mise-en-scene van achtervolgingen en shootouts.
Sorcerer (William Friedkin, 1977): Misschien heb ik deze eerder al vermeld, maar fuck it. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe goed ik deze film vond. Fantastische no bullshit thriller over vier personen verspreid over de wereld voor wie het noodlot toeslaat en ze noodgedwongen een levensgevaarlijke reis door een stuk Zuid-Amerikaans regenwoud ondernemen, met een serieuze dosis nitroglyvcerine achterin de vrachtwagen. Voor sommigen zal dit bekend klinken: misschien zagen ze eerder de andere verfilming van het boek, Les salaires de la peur, ofwel kennen ze het concept van de lachwekkende Vertical Limit. Eender welke film met een gelijkaardige premisse... maakt niet uit. Sorcerer is beter. En weeral die heerlijke score van Tangerine Dream die suggereert dat er steeds een evil entity aan het spelen is met het lot van de personages in de film. Heerlijk. En Sorcerer bevat ook de meest zenuwslopend spannende sequentie die ik ooit in een film zag.
Cruising (William Friedkin, 1980): De leatherbars van New York City worden geterroriseerd door een homo-killer die de lokale politie keer op keer lijkt te ontglippen. Een relatief jonge Al Pacino duikt undercover in een poging om de killer uit te lokken. Klinkt een erg simpele set-up, maar Friedkin houdt de film interessant en verfrissend door het zijn publiek moeilijk te maken om de identiteit van de killer te achterhalen en ook door de morele en seksuele codes van Pacino's personage te gaan problematiseren doorheen de film. Friedkin combineert hier op erg interessante wijze zijn gebruikelijke gevoel voor realisme met een mystieke vertelstijl die geregeld meer vragen stelt dan oplost. Dit maakt het een van de meest interessante slashers die er zijn imo.
To Live and Die in L.A. (William Friedkin, 1985): Friedkins meesterlijke misdaadfilm, in sommige opzichten een remake van zijn eigen The French Connection, is een geweldige cops and criminals film over Secret Service agent William Petersen (in de rol die ervoor zorgde dat Michael Mann hem caste voor zijn geweldige Manhunter) die geldvervalser Willem Dafoe op de hielen zit en probeert te arresteren. To Live and Die in L.A. lijkt in vele instanties op een simpele actiefilm, maar de visuele stijl en de romantiek in de film (die overeenkomt met de stijl en thematiek van de cinema van Michael Mann) tilt de film naar een niveau dat we weinig te zien kregen in dit decennium. De aandacht voor kleur in atelierkunst en straatkunst komt in enorm veel scenes goed tot zijn recht, vaak krijg je erg coole composities te zien die rechtstreeks uit een klaurenfilm van Godard zouden kunnen komen.
Voor de rest zal ik voortgaan in een soort "Movie of the Week"-stijl, beginnende met vijf weken geleden:
Phase IV (Saul Bass, 1974): De man die een erg indrukwekkende carriere maakte als productieontwerper voor ontelbare Hollywoodfilms heeft zich éénmaal achter de camera gewaagd voor een speelfilm. Gelukkig voor de genrefans koos hij ervoor om een sci-fi horror te maken. De film, een vrij simpel verhaal over kwaadaardige woestijnmieren, is ontzettend goed geregisseerd. De scenes waarin je de mieren georganiseerd te werk ziet gaan zijn inventief, ludiek, maar vooral getuigen ze van een enorm veel geduld en aandacht voor detail in de mise-en-scene van, wel, mieren. Waanzin.
The Landlord (Hal Ashby, 1971): Het was moeilijk om te kiezen tussen deze film en Straight Time van Ulu Grosbard - een minder bekende regisseur die enorm veel talent leek te hebben vooraleer zijn carriere de dieperik inging na het ondergewaardeerde Falling in Love - maar uiteindelijk koos ik voor The Landlord omdat die zo fris en vernieuwend was op vormelijk vlak en omdat die visueel dingen doet die helemaal up my alley zijn. De invloed van de Franse Nouvelle Vague was al eerder merkbaar in Amerikaanse cinema (zie Mickey One van Arthur Penn of Hi Mom van Brian De Palma), maar nooit eerder zag ik in Hollywood zo'n geslaagde integratie van vervreemdende vertelstijl, oddball narrative, sociale commentaar (al dan niet satirisch) en pakkend drama als The Landlord. Iedereen die vertrouwd is met Ashby's werk zal wel weten dat hij een man van vreemde verhalen is. The Landlord is geen uitzondering. Maak er werk van om deze te zien.
Hanyo aka The Housemaid (Kim Ki-young, 1960): Een minder bekende Koreaanse film die onlangs, dankzij Martin Scorsese’s restauratieproject, in de spotlight geworpen werd. Het gaat om een erotische thriller waarin een man verleidt wordt door zijn poetsvrouw, wat desastreuze gevolgen heeft voor zijn gezinsleven. De film legt heel wat frustraties van het dagelijkse leven bloot en schrikt ook niet weg van enorme seksuele spanningen. Als de combinatie Alfred Hitchcock en Luis Bunuel klinkt als een interessant concept, dan moet je zeker Hanyo een kans geven.
Three Days of the Condor (Sydney Pollack, 1975): Enorm entertainende Koude Oorlog-thriller met een hoog conspiracy-gehalte en aan een aangenaam, vlot tempo. Robert Redford speelt, zoals je kan verwachten, met veel charisma en de chemistry tussen hem en Faye Dunaway zat ook erg goed. De film werkt als een goede ‘companio piece’ met All the President’s Men, een film die ook inspeelt op de 1970s Cold War paranoia.
Miracle Mile (Steve de Jarnatt, 1988): Er zijn weinig dingen die me zo veel plezier geven als het ontdekken van onbekende, ongeappreciëerde films en tijdens het kijken beetje bij beetje beseffen dat je naar een meesterwerk aan het kijken bent. Miracle Mile voelde zo aan voor mij. Ik ben op de film gestoten door het opzoeken voor welke films Tangerine Dream de score verzorgde. Na Sorcerer en Thief te hebben gezien, hoopte ik dat er nog meer te ontdekken was. Een van de films was deze Miracle Mile, waar ik nooit eerder over had gehoord en waarvan ik - buiten dan de componisten - geen enkele naam uit de productie kende. Een jongeman begint aan een veelbelovende romance met een meisje dat hij tegenkomt in een Natural History Museum. Na een misverstand komt hij een vreselijk staatsgeheim te weten over het nakende einde van de wereld en dan begint zijn zoektocht naar zijn geliefde. Ach, het is gewoon fantastisch. Als je je ooit zou hebben afgevraagd hoe Cloverfield er had uitgezien moest Jacques Demy het geregisseerd hebben, dan mag je er geen seconde over nadenken om hem te zien.

Don't get me wrong, deze heeft iets, maar een realistische grimmige remake die meer inzet op hoop als misplaatst en hoe de mens op rationele manier met irrationaliteit probeert om te gaan (beetje in de stijl van Fail-Safe) zou denk ik ook iets zeer interessants kunnen opleveren. Then again, met het internet vandaag alomtegenwoordig zou deze waarschijnlijk niet meer werken.
Van al de odes aan Ozu die ik heb gezien, is deze nog steeds mijn favoriete. Still Walking, Five en Café Lumière moet je zeker ook zien. Ik hoor dat Archipelago ook uit een Ozu-angle gemaakt is, ik ben benieuwd want had er voor de rest nog nooit van gehoord!