Shame - 8.5/10 (Steve McQueen, 2011)
Na zijn opmerkelijk bekwame debuut Hunger, slaagt McQueen er weer in om een heel provocerende en tegelijk intrigerende film te maken. Dit keer is zijn thema een verslaving aan seksuele stimulatie. Het is een fantastisch goed geacteerde karakterstudie van een jongeman die al genoeg moeite heeft met het onder controle houden van zijn verslaving, maar daarbij ook nog eens met zijn labiele en afhankelijke jonge zus moet leven. De film is, zoals verwacht, heel zorgvuldig geschoten en McQueen werkt graag met lange en niet al te dynamische takes om de intensiteit van een bepaalde scene te verhogen. Dit werkt vaak op ten goede van de film, maar jammer genoeg kwamen er in Shame hier en daar enkele shots die mij niet meteen pakten of niet meteen iets te bieden hadden voor de sfeerschepping of narratieve ontwikkeling van de film. Maar de rustige aard van de film maakt de climactische momenten des te intenser en zoals ik al zei is het acteerwerk subliem. Er is trouwens een schitterende "downward spiral" sequentie in de film die mij sterk deed terugdenken aan die onwaarschijnlijk beklijvende scene uit PTA's Boogie Nights waar alles misloopt. Shame is dus een absolute aanrader, het is zeker een van de beste films die dit jaar zijn uitgekomen. Steve McQueen heeft bewezen dat hij een aanzienlijk talent heeft als regisseur en Michael Fassbender hetzelfde als acteur.
The Shop Around The Corner - 7.5/10 (Ernst Lubitsch, 1940)
Ernst Lubitsch heeft zijn reputatie opgebouwd door een bijzonder sterk gevoel voor humor te hebben. Het is dus niet echt te verwonderen dat hij het grootste idool was van Billy Wilder, die in zijn eigen bureau een slogan op de muur drukte: "How would Lubitsch have done it?". Elke keer als ik een film van Lubitsch opzet, is het allereerste dat opvalt hoe verdomd grappig die wel is. En The Shop Around The Corner was geen uitzondering hierop. James Stewart speelt goed als altijd, het verhaal is typisch Hollywood-stuff, maar het is duidelijk dat Lubitsch alles zal doen om de grap naar voren te schuiven. Alle bijkomende elementen uit eender welke scene in de film zijn wel aanwezig, maar als ze niet grappig zijn, dan is er geen reden om er veel aandacht aan te besteden. De cinema van Lubitsch is dus geen high art, je gaat geen cinematografische meesterwerken te zien krijgen of geen geniale verhalen verteld krijgen. Wel krijg je een groep films die op komisch vlak inventief blijven, bomvol geniaal dialoog en grappige situaties zijn en een hele reeks sexual innuendos gaande van subtiel tot onwaarschijnlijk expliciet voor een Hollywood film.
Moneyball - 8/10 (Bennett Miller, 2011)
Zoals je had kunnen verwachten is dit de meest verzorgde en meest interessante sportdrama waar Hollywood in een lange tijd mee afgekomen is. Het sentimentele aspect van de generische sportfilm wordt hier opzijgeschoven voor een oog op detail in de werking van het samenstellen van de ploeg zelf, in tegenstelling tot het spel zelf. Miller maakt enkele keuzes in zijn regie waar ik niet geheel tevreden over was (zoals net iets te veel videobeelden, de shots van het lege stadium hoefden niet om het halfuur terug te keren etc), maar omdat hij steeds kon terugvallen op een retestrak scenario van Sorkin was het gewoon onmogelijk dat deze film niet heel goed zou zijn. Het duo van Pitt en Hill is heel interessant, alhoewel Jonah Hill hier volledig wordt overschaduwd door Brad Pitt. Pitt speelt hier, voor zover ik me kan herinneren, de beste (hoofd)rol uit zijn carrière. Door de oerdegelijke muziek en cinematografie, door het uitstekende scenario dat emotie tot een minimum reduceert en voor goede komische interludes zorgt, blijkt Moneyball een van de betere Amerikaanse films van het jaar te zijn. Uiteraard is de film een ultiem product van Hollywood en valt er niet al te veel auteurschap aan op te merken, maar toch blijft Moneyball een film die je niet zo gemakkelijk kan opzijschuiven als een waardeloze pot vol conventie.
J. Edgar - 2/10 (Clint Eastwood, 2011)
Ware het niet voor The Hangover II dan zou dit stuk stront zeker het dieptepunt zijn geweest voor wat anders een subliem jaar voor cinema is. Ik wachtte al lang op een film waarin het personage van J. Edgar Hoover degelijk aan bod zou komen. Maar dat een film volledig rond hem draait en dat deze film bovendien geregisseerd werd door Clint Eastwood was niet meteen waar ik op hoopte. Maar sionds Eastwood af en toe nog wel meesterwerken maakt en sinds Leo een getalenteerd acteur is, dacht ik dat J. Edgar nog kon meevallen. Dit is dus niet waar. Vanaf de openingsscenes was ik al niet meteen overtuigd van de old man make-up. Het limiteerde de acteurs te veel en namen echt heel veel geloofwaardigheid weg van de film. Voor de rest is het verhaal niet meer dan een three-act account van Hoover's leven, een formule die keer op keer faalt en van de biopic een uiterst irritant genre heeft gemaakt. Om al dit nog erger te maken, is het kleurenpalet precies die van een afgewassen Spielbergfilm waar de desaturatie (ik denk dat dat de toegepaste techniek is...) geen enkel nuttig effect bezorgt aan de film. Ik heb op vijf verschillende momenten in de film de zaal willen verlaten (meer dan bij The Ridiculously Boring and Shockingly Uninteresting Case of Benjamin Button), en had het maar beter ook gedaan.