JPV
Legacy Member
Een recent arrest van het EHRM over vrijheid van godsdienst op de werkvloer, vond ik wel interessant, geeft mooi de grens tussen vrijheid van godsdienst & neutraliteit weer zoals Europa die ziet 
(mod: hmm... had rap een titel in elkaar gebokst, maar eigenlijk dekt die de lading niet. Mocht een mod zin hebben: verander die gerust in "vrijheid van godsdienst vs. neutraliteit)
Raad van Europa – EHRM 15 januari 2013, nr. 48420/10, 59842/10, 51671/10 en 36516/10, Eweida e.a./Verenigd Koninkrijk
Artikel 9 – vrijheid van godsdienst op de werkvloer – nood aan afweging tegen de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen
In deze samengevoegde zaak moest het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitspraak doen over de vraag of bepaalde uitingen van de vrijheid van godsdienst in de werkcontext onder de bescherming vielen van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Volgens de vier klagers-werknemers, allen praktiserende christenen, zou het Engelse recht immers onvoldoende garanties bieden om hun vrijheid van godsdienst op het werk te beschermen. Omdat het EHRM ten aanzien van elk van hen een verschillende afweging moest maken, worden hun onderscheiden klachten en de beoordeling daarvan door het Hof hieronder kort besproken.
De eerste klacht gaat uit van mevrouw Eweida, werkneemster bij British Airways, en is gericht tegen de daar geldende plicht om een uniform met hoge sluiting en geen zichtbare sierraden te dragen en om elk item met religieuze lading te bedekken, tenzij men daarvoor een toestemming had gekregen. Aanleiding voor de klacht was de beslissing van British Airways om mevrouw Eweida, die besloten had om haar halsketting met kruisteken voortaan openlijk te dragen, zonder loon naar huis te sturen en enkel nog administratief werk aan te bieden dat geen contact met klanten meer veronderstelde. Die beslissing werd door de Engelse rechtspraak immers niet aangemerkt als een discriminatie op grond van godsdienst, wat volgens mevrouw Eweida een schending van artikel 9 EVRM impliceerde. Het EHRM geeft haar daarin ook gelijk. Hoewel het Hof opmerkt dat het feit dat het Engelse recht geen regels kent rond het dragen van religieuze kledij en symbolen op de werkvloer niet per se een schending van artikel 9 EVRM impliceert, omdat voorschriften op dit vlak - zoals die opgelegd door British Airways - ook door de Engelse rechtspraak op hun proportionaliteit kunnen worden getoetst, besluit het hier toch tot een schending van artikel 9 EVRM. De Engelse rechtspraak had in deze zaak immers, gelet op de concrete feiten, geen ‘fair evenwicht’ bereikt tussen enerzijds het verlangen van Mevrouw Eweida om haar christelijke geloof te uiten en daarover te communiceren met anderen, en anderzijds het belang in hoofde van British Airways om een neutraal bedrijfsimago te bewaren. Hoewel de bescherming van dat imago in het licht van artikel 9, tweede lid EVRM een legitieme doelstelling kan zijn, acht het EHRM de tegen mevrouw Eweida getroffen maatregelen te verregaand. Niet alleen had mevrouw Eweida haar kruisteken erg discreet gedragen; ook was er geen bewijs dat het dragen van religieuze symbolen door andere werknemers in het verleden een negatieve impact had uitgeoefend op het imago van British Airways. Het verbod op het zichtbaar dragen van dergelijke symbolen leek trouwens al bij al niet zo belangrijk voor British Ariways, nu die laatste uiteindelijk ook besliste om de bestaande uniformvoorschriften op dat punt aan te passen.
De klacht van mevrouw Chaplin, verpleegster in een staatsziekenhuis, lijkt op die van mevrouw Eweida. Mevrouw Chaplin stelt dat de vraag van haar (publieke) werkgever om haar halsketting met kruisteken op haar werk uit te laten en de aanvaarding van de sanctie bij de niet-nakoming daarvan door de Engelse rechtspraak in strijd is met haar vrijheid van godsdienst onder artikel 9 EVRM. Anders dan ten aanzien van mevrouw Eweida wijst het EHRM hier evenwel die redenering af. Volgens het Hof steunt de vraag om de ketting uit te laten immers op proportionele gezondheids- en veiligheidsoverwegingen die een inmenging in haar vrijheid van godsdienst kunnen verantwoorden.
De klachten van mevrouw Ladele, werkneemster bij de burgerlijke stand van de lokale overheid, en de heer McFarlane, relatieconsulent bij een private organisatie, houden ten slotte verband met de taken die zij moeten uitvoeren. Wanneer zij deze taken niet verrichten, kunnen ze worden ontslagen. Volgens hen druisen die taken echter in tegen hun christelijke geloof, omdat ze het gedogen van homoseksuele relaties veronderstellen. Mevrouw Ladele en de heer McFarlane menen dan ook dat de weigering door de Engelse rechtspraak om de ontslagsanctie op het niet verrichten van die taken te zien als een discriminatie op grond van godsdienst neerkomt op een schending van artikel 9 EVRM. Het Hof is het met die zienswijze echter niet eens. De Engelse rechtspraak had hun discriminatieclaim immers zorgvuldig afgewezen vanuit de overweging dat een werkgever niet alleen gerechtigd is om de werknemer de uitvoering van diens taken te bevelen, maar ook om de visies van de werknemer af te wijzen als die ingaan tegen fundamentele principes - te meer als die principes zijn opgelegd door een wet, zoals de Equality Act (Sexual Orientation) Regulations 2007. Door zo het gelijkekansenbeleid van de werkgever te laten doorwegen op de individuele vrijheid van godsdienst van de werknemer en aldus ook de rechten en vrijheden van anderen – zijnde homoseksuele koppels – te beschermen, heeft de Engelse rechtspraak een ‘fair evenwicht’ gevonden. Artikel 9 EVRM is ten aanzien van mevrouw Ladele en de heer McFarlane dan ook niet geschonden.
Deze uitspraak geldt slechts definitief zodra de termijn van drie maanden om de zaak te verwijzen naar de Grote Kamer van het EHRM nog niet is verstreken. (AVB)
Volledige tekst van het arrest: http://hudoc.echr.coe.int/sites/fra/pages/search.aspx?i=001-115881#{%22itemid%22:[%22001-115881%22]}
Voor wie wil inschrijven op de nieuwsbrief: Inschrijvingsformulier Nieuwsbrief arbeidsrecht ? Faculteit Rechtsgeleerdheid KU Leuven

(mod: hmm... had rap een titel in elkaar gebokst, maar eigenlijk dekt die de lading niet. Mocht een mod zin hebben: verander die gerust in "vrijheid van godsdienst vs. neutraliteit)
Raad van Europa – EHRM 15 januari 2013, nr. 48420/10, 59842/10, 51671/10 en 36516/10, Eweida e.a./Verenigd Koninkrijk
Artikel 9 – vrijheid van godsdienst op de werkvloer – nood aan afweging tegen de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen
In deze samengevoegde zaak moest het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uitspraak doen over de vraag of bepaalde uitingen van de vrijheid van godsdienst in de werkcontext onder de bescherming vielen van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Volgens de vier klagers-werknemers, allen praktiserende christenen, zou het Engelse recht immers onvoldoende garanties bieden om hun vrijheid van godsdienst op het werk te beschermen. Omdat het EHRM ten aanzien van elk van hen een verschillende afweging moest maken, worden hun onderscheiden klachten en de beoordeling daarvan door het Hof hieronder kort besproken.
De eerste klacht gaat uit van mevrouw Eweida, werkneemster bij British Airways, en is gericht tegen de daar geldende plicht om een uniform met hoge sluiting en geen zichtbare sierraden te dragen en om elk item met religieuze lading te bedekken, tenzij men daarvoor een toestemming had gekregen. Aanleiding voor de klacht was de beslissing van British Airways om mevrouw Eweida, die besloten had om haar halsketting met kruisteken voortaan openlijk te dragen, zonder loon naar huis te sturen en enkel nog administratief werk aan te bieden dat geen contact met klanten meer veronderstelde. Die beslissing werd door de Engelse rechtspraak immers niet aangemerkt als een discriminatie op grond van godsdienst, wat volgens mevrouw Eweida een schending van artikel 9 EVRM impliceerde. Het EHRM geeft haar daarin ook gelijk. Hoewel het Hof opmerkt dat het feit dat het Engelse recht geen regels kent rond het dragen van religieuze kledij en symbolen op de werkvloer niet per se een schending van artikel 9 EVRM impliceert, omdat voorschriften op dit vlak - zoals die opgelegd door British Airways - ook door de Engelse rechtspraak op hun proportionaliteit kunnen worden getoetst, besluit het hier toch tot een schending van artikel 9 EVRM. De Engelse rechtspraak had in deze zaak immers, gelet op de concrete feiten, geen ‘fair evenwicht’ bereikt tussen enerzijds het verlangen van Mevrouw Eweida om haar christelijke geloof te uiten en daarover te communiceren met anderen, en anderzijds het belang in hoofde van British Airways om een neutraal bedrijfsimago te bewaren. Hoewel de bescherming van dat imago in het licht van artikel 9, tweede lid EVRM een legitieme doelstelling kan zijn, acht het EHRM de tegen mevrouw Eweida getroffen maatregelen te verregaand. Niet alleen had mevrouw Eweida haar kruisteken erg discreet gedragen; ook was er geen bewijs dat het dragen van religieuze symbolen door andere werknemers in het verleden een negatieve impact had uitgeoefend op het imago van British Airways. Het verbod op het zichtbaar dragen van dergelijke symbolen leek trouwens al bij al niet zo belangrijk voor British Ariways, nu die laatste uiteindelijk ook besliste om de bestaande uniformvoorschriften op dat punt aan te passen.
De klacht van mevrouw Chaplin, verpleegster in een staatsziekenhuis, lijkt op die van mevrouw Eweida. Mevrouw Chaplin stelt dat de vraag van haar (publieke) werkgever om haar halsketting met kruisteken op haar werk uit te laten en de aanvaarding van de sanctie bij de niet-nakoming daarvan door de Engelse rechtspraak in strijd is met haar vrijheid van godsdienst onder artikel 9 EVRM. Anders dan ten aanzien van mevrouw Eweida wijst het EHRM hier evenwel die redenering af. Volgens het Hof steunt de vraag om de ketting uit te laten immers op proportionele gezondheids- en veiligheidsoverwegingen die een inmenging in haar vrijheid van godsdienst kunnen verantwoorden.
De klachten van mevrouw Ladele, werkneemster bij de burgerlijke stand van de lokale overheid, en de heer McFarlane, relatieconsulent bij een private organisatie, houden ten slotte verband met de taken die zij moeten uitvoeren. Wanneer zij deze taken niet verrichten, kunnen ze worden ontslagen. Volgens hen druisen die taken echter in tegen hun christelijke geloof, omdat ze het gedogen van homoseksuele relaties veronderstellen. Mevrouw Ladele en de heer McFarlane menen dan ook dat de weigering door de Engelse rechtspraak om de ontslagsanctie op het niet verrichten van die taken te zien als een discriminatie op grond van godsdienst neerkomt op een schending van artikel 9 EVRM. Het Hof is het met die zienswijze echter niet eens. De Engelse rechtspraak had hun discriminatieclaim immers zorgvuldig afgewezen vanuit de overweging dat een werkgever niet alleen gerechtigd is om de werknemer de uitvoering van diens taken te bevelen, maar ook om de visies van de werknemer af te wijzen als die ingaan tegen fundamentele principes - te meer als die principes zijn opgelegd door een wet, zoals de Equality Act (Sexual Orientation) Regulations 2007. Door zo het gelijkekansenbeleid van de werkgever te laten doorwegen op de individuele vrijheid van godsdienst van de werknemer en aldus ook de rechten en vrijheden van anderen – zijnde homoseksuele koppels – te beschermen, heeft de Engelse rechtspraak een ‘fair evenwicht’ gevonden. Artikel 9 EVRM is ten aanzien van mevrouw Ladele en de heer McFarlane dan ook niet geschonden.
Deze uitspraak geldt slechts definitief zodra de termijn van drie maanden om de zaak te verwijzen naar de Grote Kamer van het EHRM nog niet is verstreken. (AVB)
Volledige tekst van het arrest: http://hudoc.echr.coe.int/sites/fra/pages/search.aspx?i=001-115881#{%22itemid%22:[%22001-115881%22]}
Voor wie wil inschrijven op de nieuwsbrief: Inschrijvingsformulier Nieuwsbrief arbeidsrecht ? Faculteit Rechtsgeleerdheid KU Leuven
. Anyway, ofwel verbied je alles, ofwel laat je alles toe. Als mensen aanstoot nemen aan swastika's (die ook in andere contexten dat het nazisme kunnen voorkomen) of zelfs keltische kruisen, moet je ook kunnen begrijpen dat anderen aanstoot nemen aan een hoofddoek of een boerka (bv. nabestaanden van 9/11-slachtoffers). Dit alles los van andere overwegingen, zoals identificatieproblemen bij boerka's.
.