In december 2002 stond in The Wall Street Journal een redactioneel artikel met de titel „De wetenschap kan Jezus niet negeren”. De schrijver concludeerde: „De meeste geleerden, met uitzondering van een enkele atheïst, hebben Jezus van Nazareth al geaccepteerd als een historisch personage.”
en dan nu enkele historici (die zelf geen christenen waren):
Wanneer we in beschouwing nemen dat de bediening van Jezus vooral beperkt was tot een relatief onbelangrijk gebied in een kleine uithoek van het Romeinse Rijk, dan zien we dat we een verrassende hoeveelheid informatie over Jezus in wereldlijke historische bronnen kunnen aantreffen. Enkele van de belangrijkere historische bewijsstukken voor Jezus zijn de volgende:
De Romein Tacitus, die als één van de nauwkeuriger historici uit de oudheid wordt beschouwd, vermeldde in de eerste eeuw de bijgelovige “Christenen” (“vernoemd naar Christus”

die tijdens de heerschappij van Tiberius onder Pontius Pilatus leden. Suetonius, de belangrijkste secretaris van Keizer Hadrianus, schreef dat er een man was met de naam Chrestus (of Christus) die in de eerste eeuw leefde (Annalen 15.44 ).
Flavius Josephus is de beroemdste Joodse historicus. In zijn Antiquitates refereert hij aan Jakobus, “de broer van Jezus, die de Christus werd genoemd”. Er bestaat een controversieel vers (18:3) dat als volgt gaat: “Te dien tijde was er een zekere Jezus, een wijs mens, indien men hem althans een mens noemen mag; want zijn werken waren wonderbaar. . . Deze was de Christus . . . hij is hun ten derden dage weer levend verschenen, gelijk de goddelijke profeten, onder meer andere wonderlijke dingen, van hem voorzegd hadden”. Eén bepaalde versie van dit vers zegt: “Te dien tijde was er een zeker wijs man die Jezus werd genoemd. En zijn gedrag was goed, en hij stond bekend als deugdzaam. En vele mensen onder de Joden en andere naties werden zijn discipelen. Pilatus veroordeelde hem tot de kruisiging en de dood. En zij die zijn discipelen waren geworden verlieten hem na zijn dood niet; zij verklaarden dat hij drie dagen na zijn kruisiging aan hen verschenen was en dat hij leefde; zodoende is hij misschien de Messias over wie de profeten wonderlijke dingen voorzegd hadden".
Julius Africanus citeert de historicus Thallus in een discussie die volgde op de kruisiging van Christus (Extante Geschriften, 18).
Plinius de Jongere legde in zijn Brieven (10:96) de vroege Christelijke aanbidding vast, waaronder het feit dat de Christenen Jezus als God aanbaden en dat zij zeer ethisch waren, en zijn schrijven bevat een referentie aan de liefdemaaltijd (agapè) en het Heilig Avondmaal.
De Babylonische Talmoed (Sanhedrin 43a) bevestigt de kruisiging van Jezus op de vooravond van het Pesach-feest, en de beschuldigingen aan het adres van Jezus dat Hij aan toverij zou doen en Joodse afvalligheid zou aanmoedigen.
Lucianus van Samosata was een Grieks schrijver in de tweede eeuw die toegeeft dat Jezus door de Christenen werd aanbeden, dat Hij nieuwe leerstellingen introduceerde en hiervoor werd gekruisigd. Hij zei dat de de leerstellingen van Christus onder meer de broederschap van gelovigen bevatten, alsmede het belang van bekering en het belang van het ontkennen van andere goden. Christenen leefden volgens de wetten van Jezus, geloofden dat ze onsterfelijk waren en werden gekarakteriseerd door een minachting voor de dood, vrijwillige zelf-toewijding, en het afwijzen van materiële bezittingen.
Mara Bar-Serapion bevestigt dat Jezus als een wijs en deugdelijk mens werd gezien, door velen als de koning van Israël werd beschouwd en in de leerstellingen van zijn volgelingen voortleefde.
Als conclusie:
„Zullen we aannemen dat de evangelische geschiedenis louter fictie is? Maar mijn vriend, ze heeft niets weg van fictie. Integendeel, niemand matigt zich aan de levensgeschiedenis van Socrates in twijfel te trekken, en toch is die niet zo goed gedocumenteerd als die van Jezus Christus.” —*Jean-Jacques Rousseau, Frans filosoof.