De super-CCD sensor is eigenlijk het meest nuttig in een compact-camera, niet in een D-SLR.
Een sensor bestaat uit pixelcellen (1 per pixel in de uiteindelijke foto). Ieder van deze pixelcellen kan je vergelijken met een minuscuul zonnepanneel: hoe meer licht er op zo'n vel valt, hoe meer elektriciteit die produceert. Door nadien de hoeveelheid elektriciteit te meten, kan de helderheid van de pixel bepaald worden. Als je de helderheid van alle pixels hebt, dan heb je de foto gereconstrueerd.
Het meten van de hoeveelheid elektriciteit gebeurt door de stroomsterkte uit te zetten op een schaal met een vaste verdeling (gewoonlijk 1024 verdelingen bij compacts of 4096 tot 16384 bij D-SLR's). Aan ieder vak op de schaal wordt dan een getal toegekend (die loopt van 0 t.e.m. 1024 bij compact-camera's): zo wordt de (analoge) stroomsterkte in digitale informatie omgezet.
Als je nu een foto bij weinig licht wil nemen, dan zal iedere pixelcel weinig elektriciteit produceren en zal de stroomsterkte van iedere pixelcel laag staan op de schaalverdeling. Dat betekent meteen ook dat de verschillen in stroomsterkte tussen de verschillende pixelcellen klein zijn (wat zorgt voor weinig contrast in de foto en een verlies aan detail).
Om die verschillen in stroomsterkte te accentueren wordt de stroomsterkte versterkt vóór het op de schaal wordt uitgezet (de mate van versterking wordt aangeduid door het "ISO-getal": ISO200 is bv. 2x zo veel versterking als ISO100). Je krijgt daardoor meer contrast en detail terug in de foto.
Dat klinkt allemaal mooi in een ideale wereld, maar onze wereld is niet perfect:
- De versterking gebeurt vóór het digitaliseren wat betekent dat het een analoog proces is. De mate van versterking moet in principe identiek zijn voor iedere pixelcel, maar kleine verschillen zijn nooit uit te sluiten.
- Zelfs een pixelcel waar helemaal geen licht op valt kan een kleine hoeveelheid stroom produceren (bv. door inductie van nabijgelegen cellen). Zonder versterking valt die hoeveelheid stroom vrijwel nooit boven de 0-verdeling op de schaal, maar als je de stroom versterkt kan die wel hoger uitvallen.
- ...
Al deze mankementen zie je terug als
ruis in foto's en is meestal niet echt aangenaam.
Het mag duidelijk zijn dat je spaarzaam moet omspringen met versterking. De eenvoudigste manier om versterking te voorkomen is zorgen dat er meer licht op de sensor valt.
Een flitser lijkt voor de hand liggend, maar:
- Ze zorgen al snel voor onnatuurlijke foto's (licht dat vanuit het "oogpunt van de kijker" lijkt te komen; witte gezichten; harde schaduwen; ...).
- Zelfs de sterkste flitsers kunnen geen grote open ruimtes volledig belichten.
Een tweede manier is werken met grotere pixelcellen.
D-SLR's hebben sensoren die vele malen groter zijn dan deze in compact-camera's. Dat verklaart voor het grootste deel waarom D-SLR's heel wat minder ruis produceren. Grotere sensoren betekenen echter automatisch dat de camera heel wat zwaarder uitvalt aangezien ook het objectief navenant groter moet worden.
Als je de sensor niet kan vergroten, dan kan je wel zorgen voor minder pixels op een sensor. Minder pixelcellen op eenzelfde oppervlak betekent dat er meer plaats overblijft voor iedere pixelcel.
De overgrote meerderheid van sensoren (zowel in compact-cams als in D-SLR's) gebruikt vierkante pixelcellen. De oppervlakte van de pixelcel wordt niet volledig opgenomen door de de fotovoltaïsche cel. Naast die cel zijn er ook transistoren en geleiders aanwezig. In werkelijkheid is er daardoor rond ieder lichtgevoelige cel een rand die niet gevoelig is voor lichtinval.
De SuperCCD sensor (ontwikkeld door Fuji) gebruikt echter geen vierkante cellen, maar zeshoekige cellen. De transistoren en circuits zijn daarbij ondergebracht in de veel kleinere resterende open ruimtes. Bovendien zijn de cellen niet in rijen en kolommen ingedeeld, maar staan ze geschrankt t.o.v. elkaar. Pixelcellen van overlappende rijen kunnen zo samengenomen worden alsof ze één grotere cel vormden (je hebt dan wel minder MegaPixels, maar dus wel half zo veel nood aan versterking dan anders).
Die verbeteringen zorgen ervoor dat SuperCCD sensoren beter presteren dan conventionele sensoren.
Een SuperCCD sensor helpt voornamelijk bij compact-camera's omdat die het meest te lijden hebben onder ruis. D-SLR's hebben daar heel wat minder last van (door de véél grotere sensor).
Als fotokwaltieit voor jou het belangrijkste is, dan zou ik ook voor een Fuji F200EXR gaan (zie
hier voor een uitgebreide review): die staan tegenwoordig trouwens erg gunstig geprijsd.