Befferke met vakantie in Galicië
In het roemruchte universum van zelfbedieningsrestaurants, waar de mens zich doorgaans gedraagt als een beschaafd wezen met een bord en een vork, wandelt één figuur rond als een mythische legende: Befferke.
Befferke — een naam die klinkt als een licht briesje, maar inslaat als een culinaire orkaan.
De automatische schuifdeuren zuchten al bij voorbaat. Een lichte tocht. Een trilling in de koffiekopjes.
Befferke is gearriveerd. Het personeel wisselt blikken uit. Iemand fluistert: “Is hij het?” Een ander knikt zwijgend en draait alvast extra bakken chorizo bij.
Het buffet van het hotel ergens in Noord-Galicië, de scrambled eggs dampen zachtjes, onwetend van hun lot.
Hij bekijkt het buffet zoals een generaal een slagveld inspecteert. Zijn ogen scannen. Zijn hersenen rekenen. Zijn maag… maakt plannen.
Waar normale stervelingen beginnen met een koffie en misschien een slaatje, pakt Befferke meteen een bord. Groot. Nee — het grootste bord. Hij draait zich om… en pakt er nog één. "Voor de efficiëntie" gromt hij
Met de vastberadenheid van een ontdekkingsreiziger die een nieuw continent gaat leegplukken, grijpt Befferke wat hij kan.
Waar anderen twijfelen tussen Paella of spareribs, kent Befferke geen innerlijk conflict. Hij neemt alles. Paella naast stukken vleeslapjes, spareribs, chorizo, chocoladetaart, frieten tegen een verdwaalde brownie gedrukt, en ergens daartussen tonnen rijst met zeevruchten.
De mensen kijken.
O, hoe ze kijken.
Een vrouw met een quinoa-salade verstijft halverwege een hap. Een man met een klein kommetje soep fluistert tegen zijn partner:
“Dat… dat kan toch niet gezond zijn?”
Waarop zijn partner antwoordt:
“Dat is geen mens meer. Dat is een missie.”
Maar Befferke voelt hun blikken niet. Of beter gezegd: hij voelt ze wel, maar interpreteert ze als applaus.
Elke trip naar het buffet is een epische terugkeer. Zijn bord is geen bord meer, maar een topografische kaart van voedsel. Bergen puree, rivieren saus, mysterieuze eilanden waarvan niemand exact weet wat ze voorstellen.
Kinderen staren hem aan alsof hij een levende draak is. Eén jongetje durft zelfs te vragen:
“Meneer… heeft u nog plek?”
Befferke kijkt hem aan, glimlacht wijs en zegt:
“dit is waarom niemand je naam zal herinneren kleine janet”. Al wenend droop de kleine af, Beffere couldn't care less.
Ondertussen begint het buffet tekenen van uitputting te vertonen. De chocolademousse is verdwenen. De loempia’s zijn gereduceerd tot herinneringen. Een kok zit stilletjes in een hoek en vraagt zich af waar het fout ging in zijn leven.
En toch… ondanks de vieze blikken, het gefluister, het lichte paniekgevoel bij het personeel… straalt Befferke.
Want hij weet iets wat de rest niet begrijpt:
Het is geen schaamte.
Het is geen gulzigheid.
Het is toewijding.
En terwijl hij zijn zevende ronde inzet en iemand zachtjes “onmogelijk…” mompelt, heft Befferke zijn vork als een kampioen die zijn trofee viert. "Voilà comment on mange à Bruxelles, bande kluutzakken" !
De wereld mag oordelen.
Maar Befferke…fret.