Leerinhouden
(welke leerstof moet je als kandidaat opzoeken om dit vak te studeren?)
A. GETALLENLEER
1. BREUKEN EN DECIMALE GETALLEN (ET 8, 9, 10)
1.1 Natuurlijke, gehele en rationale getallen (in breukvorm en in decimale vorm) optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Er wordt verwacht dat men breuken kan vereenvoudigen, gelijknamig maken en de decimale schrijfwijze van een breuk kan zoeken.
1.2 De commutatieve, associatieve en distributieve eigenschap kunnen toepassen om bewerkingen te vereenvoudigen.
1.3 Rekenvaardigheden beheersen:
 Haakjes kunnen wegwerken met een plus-, een min- of een maalteken voor de haakjes.
 Rekenregels voor de optelling, de aftrekking, de vermenigvuldiging en de deling kunnen toepassen.
 De volgorde van de bewerkingen kunnen toepassen (als volgorde van de bewerkingen wordt aangehouden):
 voer eerst de bewerkingen binnen de haakjes uit of verwijder de haakjes;
 werk daarna de machtsverheffing(en) en worteltrekking(en) uit;
 vervolgens de vermenigvuldiging(en) en deling(en) van links naar rechts;
 en dan de optelling(en) en aftrekking(en) ook van links naar rechts.
2. MACHTEN (ET 11)
2.1 Macht kunnen berekenen van een natuurlijk, een geheel en een rationaal getal met natuurlijke en gehele exponenten. De tekenregel bij de machtsverheffing kennen en kunnen toepassen.
2.2 De regels voor het rekenen met machten kunnen toepassen i.v.m.:
 het product van machten met eenzelfde grondgetal;
 het quotiënt van machten met eenzelfde grondgetal;
 een macht van een product;
 een macht van een quotiënt;
 een macht van een macht.
3. EVENREDIGHEDEN (ET 16, 24, 39)
3.1 Een evenredigheid is een gelijkheid van twee breuken.
3.2 De hoofdeigenschap van de evenredigheden kennen en kunnen gebruiken om een onbekende term uit de evenredigheid te zoeken. De hoofdeigenschap zegt dat het product van de uiterste termen gelijk is aan het product van de middelste termen.
3.3 Bij het oplossen van een vraagstuk moet u zelf onderzoeken of het om een recht evenredige of om een omgekeerd evenredige grootheid gaat en de termen invullen in de evenredigheid.
4. EENTERMEN EN VEELTERMEN (ET 19, 20)
4.1 Eentermen
 Bij het rekenen met eentermen kan de coëfficiënt (cijfergedeelte) een natuurlijk, een geheel of een rationaal getal zijn.
 Optellen en aftrekken van gelijksoortige eentermen.
 Het product van eentermen.
 Een macht van een eenterm.
4.2 Veeltermen:
 Bij het rekenen met veeltermen kan de coëfficiënt een natuurlijk, een geheel of een rationaal getal zijn.
 Optellen en aftrekken van veeltermen:
 werk de haakjes weg;
 herleid de bekomen veelterm (gelijksoortige eentermen optellen en aftrekken);
 rangschik de veelterm naar een stijgende of dalende macht van één der letterfactoren.
 Een veelterm vermenigvuldigen met een veelterm.
4.3 Getalwaarde van een veelterm bepalen. Vervang elke letter in de veelterm door haar waarde. Reken dat verder uit en denk aan de volgorde van de bewerkingen.
4.4 Merkwaardige producten: (a+b)(a-b), (a+b)² en (a-b)².
4.5 Ontbinden in factoren van eenvoudige veeltermen door gebruik te maken van:
 buiten haakjes brengen van gemeenschappelijke factoren;
 de merkwaardige producten.
5. VERGELIJKINGEN (ET 21, 22)
5.1 Een vergelijking oplossen is de waarde van een onbekende zoeken.
De proef maken is de waarde van deze onbekende toetsen aan de opgave.
5.2 Bij het oplossen van een vraagstuk zal u de gegevens en het gevraagde voorstellen met wiskundige symbolen zodat u een vergelijking bekomt.
B. MEETKUNDE
1. TRANSFORMATIES (ET 28, 35)
1.1 Een spiegeling t.o.v. een rechte kunnen uitvoeren.
1.2 Een verschuiving kunnen uitvoeren volgens gegeven richting, zin en afstand.
1.3 Een draaiing kunnen uitvoeren volgens gegeven zin (wijzerzin, tegenwijzerzin) en hoek.
1. CONGRUENTE EN GELIJKVORMIGE FIGUREN (ET 27, 33)
2.1 Congruente figuren herkennen.
2.2 Gelijkvormige figuren herkennen.
2.3 Congruentiekenmerken van driehoeken formuleren en afleiden op tekening.
2.4 Verband leggen tussen gelijkvormigheid van een figuur en het begrip schaal.