Pieterjan94 zei:
Hallo aan jullie allen!
Ik heb morgen test statistiek, en ik zit tamelijk vast bij een bepaald soort oefening. De notatiewijze vooral.
De opgave (met oplossing van de leerkracht, dus dit is géén huiswerk) gaat als volgt:
P(x<a)=0.25 met gemiddelde = 80 en standaardafwijking 10
=P(Z< -a)= 0.25
=>P(z>a) = 1-P(Z<)=0.25
=>P(Z<b)=0.75
a=0.675
-a=-0.675= (a-80/10)
=>a=73.25
Spijtig genoeg kan ik het zelf niet vinden, ik ben in de war met waarom men plots over een Z spreekt (gaat dit over de Z-score?) en men plots naar -a gaat en b.
Groetjes.
Je dat klopt inderdaad. Ik zal het u op een andere, hopelijk meer duidelijke manier, uitleggen:
Een z-score moet ge gewoon bekijken als het aantal standaardafwijkingen dat een waarde van het gemiddelde ligt. Als ge dat zo onthoud is het niet moeilijk meer.
Zie formule: z = (x - µ) / sigma
Hier is (x - µ) dus eigenlijk gewoon de afstand tussen x en µ. En die afstand gaat ge dan nog eens delen door sigma, dus krijgt ge de afstand uitgedrukt in sigma's, oftewel: het aantal standaardafwijkingen tussen een waarde en het gemiddelde.
Neem nu IQ. Dat is normaal verdeeld met gemiddeld 100 en standaardafwijking 15. Wat zou dan de z-score zijn van een IQ van 130? Awel, dat ligt toch 2 standaardafwijkingen boven 100, dus is de z-score 2. Vul de formule maar in, het zal uitkomen.
Opgave: P(x<a)=0.25 met gemiddelde = 80 en standaardafwijking 10
In plaats van een waarde te krijgen en een kans te bereken, krijgt ge nu de kans en moet ge de waarde berekenen. Ge moet de a zoeken waarvoor geldt dat x er 25% van de tijd onder ligt.
Ge weet uit uw tabellen dat zoiets geldt wanneer z = -0.675. Voor die bepaalde z ligt er 25% kans links ervan en 75% kans rechts ervan. Moest uw tabel enkel voor positieve z gelden, dan moogt ge dat gewoon omkeren want die verdeling is symmetrisch (teken het zodat ge het ZIET!). Ge zult dan zien dat P(X>0.675) = 0.25, maar teken dat nu eens gewoon. Dan zult ge meteen zien dat ge dat gewoon moogt omdraaien naar de andere kant toe.
Dus ge weet dat z = -0.675, en ge weet ook dat z = (x - µ) / sigma.
Maar ge weet µ en sigma toch al? En ge weet z ook? Dus enkel x blijft over:
x = (z x sigma) + µ
en dat geeft ons (-0.675 x 10) + 80 = 73.25.
Hopelijk is dit wat intuïtiever. Want bij statistiek is INTUÏTIE het allerbelangrijkste!