Art. 111
1[§ 1
Voor opleidingen die zijn gevolgd voor 1 september 1993, heeft de werknemer het recht om met behoud van zijn normaal loon dat op het gewone tijdstip moet worden uitbetaald, op het werk afwezig te zijn gedurende een aantal uren dat overeenstemt met het aantal theoretische lesuren van de buiten de normale werkuren gevolgde lessen en met het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren voor de opleidingen die tijdens de normale werkuren worden gegeven.
Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1993 wordt enkel het aantal uren van werkelijke aanwezigheid tijdens de lesuren in aanmerking genomen voor het bepalen van het betaald educatief verlof dat aan de werknemer wordt toegekend.
Voor de opleidingen gevolgd vanaf 1 september 1995 bedraagt het maximum per jaar in ieder geval:
1°
120 uren indien de werknemer een beroepsopleiding volgt:
2°
80 uren indien hij een algemene opleiding volgt;
3°
120 uren indien hij tijdens eenzelfde jaar, een algemene- en een beroepsopleiding volgt.
§ 2
In afwijking van § 1 kunnen taalcursussen enkel aanleiding geven tot globaal en verlofuren.
Indien deze opleidingen gevolgd worden samen met een andere beroepsopleiding wordt het maximum op te nemen verlofuren gebracht op 120 uren.
§ 3
5[De verlofuren kunnen opgenomen worden boven de maxima bedoeld in § 1, zodanig dat er in totaal 120 verlofuren kunnen worden opgenomen hetzij voor het volgen van beroepsopleidingen hetzij voor het volgen van meerdere cursussen van verschillende aard, als de lesuren – ondanks de toepassing van wat bij de collectieve planning werd betracht – toch samenvallen met de voorziene arbeidstijd van de betrokken werknemer.]5
§ 4
Op voorstel van de sectoren en na advies van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor de sectorgebonden beroepsopleidingen die tegemoet komen aan tekorten op de arbeidsmarkt het maximum aantal uren op 180 vastgesteld wordt.
§ 5
2[Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van academisch gerichte bachelor georganiseerd in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap en tot de graad van bachelor georganiseerd in een cursus van lange type van het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op 180.
Voor de werknemer die een opleiding volgt die leidt tot de graad van master georganiseerd in het hoger onderwijs, wordt het maximum aantal uren vastgesteld op 180.]2
§ 6
Op gemotiveerd voorstel van de Erkenningscommissie kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid beslissen dat voor opleidingen inzake elementaire basisvaardigheden voor laaggeschoolde werknemers het maximum aantal uren op 180 vastgesteld wordt.
§ 7
3[De Koning kan, vanaf het schooljaar 2007-2008, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en op basis van het voorstel van de sociale gesprekspartners, opgenomen in hun tweejaarlijks interprofessioneel akkoord voor de schooljaren die beginnen tijdens de geldigheidsduur van dit interprofessioneel akkoord:
a)
de in §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen;
b)
de lijst van de in artikel 109, §§ 1 en 2, bedoelde opleidingen wijzigen.
Bij gebrek aan voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord zoals bedoeld in het eerste lid, kan de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de in de §§ 1 tot 6 gestelde maxima vermeerderen of verminderen voor de schooljaren beginnend in een kalenderjaar waarop geen voorstel inzake het betaald educatief verlof in het interprofessioneel akkoord is.]3
§ 8
De Koning bepaalt de nadere regels inzake toepassing van dit artikel.]1
Wetshistoriek
Art. vervangen bij art. 2 K.B. 28 maart 1995 (B.S., 24 mei 1995), met ingang van 1 september 1995 voor alle opleidingen of gedeelten van opleidingen die vanaf deze datum effectief gevolgd worden (art. 7).
§ 3 opgeheven bij art. 196, 1° W. 27 december 2006 (B.S., 28 december 2006 (derde uitg.)), met ingang van 1 september 2007 en van toepassing op de opleidingen die gevolgd worden vanaf het schooljaar 2007-2008 (art. 202) en opnieuw opgenomen bij art. 11 W. 17 mei 2007 (B.S., 19 juni 2007), met ingang van 1 september 2007 voor de opleidingen die vanaf die datum gevolgd worden (art. 19).
§ 5 vervangen bij art. 267 W. 20 juli 2006 (B.S., 28 juli 2006 (tweede uitg.)).
§ 7 vervangen bij art. 196, 2° W. 27 december 2006 (derde uitg.)), met ingang van 1 januari 2007 (art. 202).
Bekrachtiging
K.B. 28 maart 1995 is bekrachtigd bij art. 43 W. 22 december 1995 (B.S., 30 december 1995).
Uitvoeringsbesluiten
–
Koninklijk besluit van 10 november 2006 waarbij de toepassingsregels worden bepaald voor toekenning van betaald educatief verlof aan werknemers die examens afleggen, georganiseerd door de gefedereerde overheden in het kader van een systeem van certificering van verworven competenties (B.S., 22 november 2006)
Art. 112
De werknemer die gebruik wenst te maken van het betaald educatief verlof, licht zijn werkgever hierover in door middel van een getuigschrift waarin wordt bevestigd dat hij regelmatig ingeschreven is om een of verschillende bij deze afdeling bedoelde opleidingen te volgen. Hij deelt hem de voorziene afwezigheden mede. Hij verwittigt hem van het opgeven of het onderbreken van de opleidingen.
Deze inlichtingen en dat getuigschrift worden meegedeeld binnen de termijn en volgens de regels bepaald door de Koning.
Uitvoeringsbesluiten
–
Koninklijk besluit van 10 november 2006 waarbij de toepassingsregels worden bepaald voor toekenning van betaald educatief verlof aan werknemers die examens afleggen, georganiseerd door de gefedereerde overheden in het kader van een systeem van certificering van verworven competenties (B.S., 22 november 2006)
Art. 113
§ 1
Het betaald educatief verlof wordt op het vlak van de onderneming gepland door de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, in gemeen overleg tussen de werkgever en de vakbondsafvaardiging van de onderneming of, bij ontstentenis hiervan, in gemeen overleg tussen de werkgever en de werknemers.
4[Bij de planning wordt rekening gehouden zowel met de vereisten inzake interne organisatie van de onderneming als met de specifieke belangen en situaties van iedere werknemer, hierbij moet er zoveel mogelijk over gewaakt worden dat de lesuren niet samenvallen met de arbeidsuren.]4 De hierna volgende regels worden daarbij in acht genomen:
1°
in de ondernemingen die minder dan 20 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van het totaal aantal werknemers; ten minste één werknemer moet evenwel toestemming krijgen om wegens die reden afwezig te zijn;
2°
in de ondernemingen die 20 tot 50 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van de werknemers die dezelfde functie uitoefenen; ten minste één werknemer per functie moet evenwel de toestemming krijgen om wegens die reden afwezig te zijn;
1[3°
in de ondernemingen die meer dan 50 werknemers tewerkstellen, kan de werkgever zich verzetten tegen de gelijktijdige afwezigheid wegens betaald educatief verlof van meer dan 10 pct. van de werknemers die dezelfde functie uitoefenen met dien verstande dat ten minste één werknemer per functie de toestemming moet krijgen om wegens die reden afwezig te zijn en op voorwaarde dat vooraf de ondernemingsraad of, bij ontstentenis van een akkoord in die raad, het bevoegde paritair comité, heeft vastgesteld wat onder “dezelfde functie” moet worden verstaan.]1
Het aantal werknemers dat in aanmerking komt voor de toepassing van het tweede lid is dat van de driemaandelijkse aangifte die de werkgever op 30 september van het betrokken jaar aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid moet opsturen.
2[Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing wanneer de planning van de afwezigheden in de onderneming voorzien werd in een collectieve arbeidsovereenkomst ondertekend door alle organisaties vertegenwoordigd in de syndicale afvaardiging in de ondernemingen met meer dan 100 werknemers, voor zover deze collectieve arbeidsovereenkomst gesloten werd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968, betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités.]2
3[De collectieve planning heeft voorrang op de individuele planning.]3
§ 2
In geval van onvoorziene gebeurtenissen of van omstandigheden van dwingende aard kan, op gemotiveerd verzoek van de werkgever of van de werknemer, van de planning opgemaakt met toepassing van § 1, worden afgeweken: bijzondere regels inzake gebruikmaking van het betaald educatief verlof kunnen dan worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de werkgever en de betrokken werknemers die op hun verzoek kunnen worden bijgestaan door vakbondsafgevaardigden.
§ 3
In geval van blijvende onenigheid, worden de geschillen betreffende § 1 en § 2 van dit artikel aan de inspectie van de sociale wetten van de Administratie van de arbeidsbetrekkingen en -reglementering van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid voorgelegd, die, wanneer haar verzoeningsopdracht mislukt, een beslissing zal nemen.
§ 4
De Koning kan, na het advies te hebben ingewonnen van de Nationale Arbeidsraad andere regels inzake planning en verzoening vaststellen dan die bepaald bij dit artikel.