Waar komen de donderbeestjes vandaan, en hoe weten ze dat het gaat onweren?
Donderbeestjes vliegen ons inderdaad in groten getale om de oren als er onweer op komst is. Niet omdat ze het weer beter kunnen voorspellen dan al die gestudeerde koppen in Ukkel – om het weer te begrijpen heb je echt wel een gestudeerde kop nodig, plus een paar supercomputers voor het rekenwerk. Te veel voor zo’n nietig beestjesbrein. In feite ontmoeten we de donderbeestjes niet als er donder op komst is, maar op het moment dat het weer vochtig-warm is. Dat op zo’n weer nogal eens een onweer volgt, weten ze niet, en het kan hen ook niet schelen.
‘Donderbeestje’ is dan ook een volksnaam. De ware wetenschapper beseft dat zo’n insect niet slim genoeg kan zijn om het weer te voorspelen – waar gaat het trouwens met de wereld naartoe als zelfs insecten al het werk van een wetenschapper kunnen doen – en de wetenschappers hebben dan ook gekozen voor een naam die niets met onweer of verstand te maken heeft. Ze hebben de diertjes ondergebracht bij de franjevleugeligen of, laten we onze stand ophouden, de Thysanoptera (dat is gewoon Grieks voor franjevleugeligen, maar het staat wel een stuk chiquer). Als je zo’n donderbeestje onder een loep bekijkt, zul je zien dat het twee paar vleugels heeft (het is dus geen vliegje), met een brede zoom van lange haren. Vandaar de naam.
Terwijl u toch aan het kijken bent: het heeft ook dikke poten. De Duitsers noemen het dan ook Blasenfuss. De groep waartoe het donderbeestje behoort, wordt door biologen trouwens ook wel eens blaaspotigen genoemd, in plaats van franjevleugeligen.
Zoals gezegd, ‘franjevleugeligen’ is de naam voor een hele groep insectjes. De ‘donderbeestjes’ die u bij drukkend weer belaagden en die u toen weggemept of platgeslagen hebt, zijn daar slechts één geslacht van. Dat heet Thrips in het Latijn en trips in het Nederlands. Eigenlijk komt ook die naam van het Grieks, en betekent hij houtworm, maar aan die naamkeuze worden de geleerden liever niet herinnerd.
Tripsen leven van planten op kleihoudende grond. Zowel de volwassen vorm als de geelbruine, ongevleugelde larven zuigen de cellen van de bladeren leeg. Boeren en tuinders zijn er dan ook niet erg op gesteld, want ze smullen onder meer van vlas, bieten, graan, wortelen, kolen, erwten, uien, tomaten, gladiolen, perziken, peren. En van distels, maar dat vindt een boer al minder erg.
Jammer voor de boer is het niet gemakkelijk te zien dat hij met tripsen zit. De diertjes zijn niet groter dan anderhalve millimeter, en vallen niet echt op. Als hun prikken maar talrijk genoeg zijn, vloeien ze samen tot kleine vlekjes met een zilverachtige schijn. Die kleur ontstaat omdat de celen nu met lucht gevuld zijn, in plaats van met vocht. Maar de schade valt pas echt op als die vlekjes bruin worden en de bladeren naar buiten gaan omkrullen om af te sterven. Intussen is de groei van de plant al ernstig geremd geweest, met alle gevolgen voor de latere oogst. Wie ze eerder wil betrappen, kan nog het beste het veld ingaan en hier en daar een plant goed uitschudden, om te zien of er geen nietige puntjes opvliegen of in zijn hand vallen.
Tripsen kunnen meerdere generaties per jaar produceren, want in twee tot vijf weken – afhankelijk van de temperatuur – zijn ze volwassen. Op hete dagen vliegen ze uit om zich verder te verspreiden.Valt het weer tegen, dan kunnen zowel eieren, larven als volwassenen overwinteren.
Als het heet en droog is, vliegen donderbeestjes ook, maar dan zitten ze hoger en merken we ze niet. Bij heet en vochtig weer is er meestal weinig thermiek (bellen van opstijgende lucht). Veel insecten gebruiken thermiek juist om omhoog te raken. Net als zweefvliegers trouwens. Bij drukkend weer lukt dat niet en blijven ze noodgedwongen laag bij de grond. Daarom komt een gewone mens donderbeestjes alleen tegen bij heet en vochtig weer.
Weet u meteen ook waarom niet alleen donderbeestjes, maar ook laagvliegende zwaluwen het weer kunnen voorspellen. Als hun eten laag bij de grond blijft, doen de zwaluwen dat immers ook.