1° De meting wordt verricht in een omgeving zonder weerkaatsing. Indien aan deze eis niet voldaan wordt, moet de meting aangepast worden om met de weerkaatsing rekening te houden. Bovendien mag, behalve het voertuig en de operateur, zich geen enkel voorwerp bevinden binnen een straal van 5 m rond de microfoon.
2° Het voertuig moet staan op een nagenoeg horizontale bodem die uit hard materiaal bestaat, zoals beton, asfalt of soortgelijke bedekking. Geen enkele geluiddempende stof (hoog gewas, sneeuw, enz.) mag zich onder het voertuig of tussen het voertuig en de microfoon bevinden.
3° Het niveau van het omgevingsgeluid, daarbij inbegrepen het geluid veroorzaakt door de wind, moet ten minste 10 dB (A) kleiner zijn dan het toelaatbare niveau voor het voertuig.
4° De meting gebeurt aan het stilstaande voertuig. De motor moet warm zijn en de versnellingsbak in de nulstand geplaatst. De motor wordt als warm aangezien wanneer hij bij stationair draaien stabiel is zonder gebruik te maken van startinrichting.
5° Tijdens de meting moet de motor op een constant toerental blijven, dat voor benzinemotoren gelijk is aan drie-vierden van dat waarbij de motor zijn maximum vermogen ontwikkelt, en dat voor de dieselmotoren gelijk is aan het maximum toerental toegelaten door de snelheidsregulateur.
6° De microfoon wordt rechts van het voertuig geplaatst, hij moet gekeerd zijn naar het voertuig en moet zich in een punt rechtvoor het motorblok bevinden op een afstand van 75 cm van het zijvlak van het voertuig.
7° Het geluidsniveau wordt gemeten met een sonometer waarvan de meettolerantie niet groter is dan 1 dB (A).
Het geluid voortgebracht door een auto in bovenvermelde omstandigheden, mag niet groter zijn dan:
* 95 dB (A) voor voertuigen uitgerust met een benzine-motor;
* 100 dB (A) voor voertuigen uitgerust met een diesel-motor waarvan het maximum vermogen niet hoger is dan 200 pK (Din);
* 105 dB (A) voor voertuigen uitgerust met een diesel-motor waarvan het maximum vermogen groter is dan 200 pK (Din).
Een tolerantie van 1 dB (A) is toegestaan. (K.B. 9.8.71, art. 6)