Summum
Legacy Member
Alles ging volgens plan.
De rogues waren verdreven uit hun eeuwenoude thuis.
HIJ had zijn vrije doorgang.
En ik, ik zorgde ervoor dat niets hem achterna kon komen.
Er waren er enkele die het hadden geprobeerd.
Zielige schepsels die vaak nog niet eens kwart van de weg haalde tussen dat zielige bouwsel ze een kamp noemde, hun laatste vluchtplaats dat spoedig compleet van de aarde zou worden weggevaagd, en daar waar HIJ zich bevond.
Alles ging goed.
Mijn onderdanen waren overal.
Zelfs de Malus was gevonden en stond nu onder bewaking van onze meestersmid klaar om alle wapens te maken die HIJ maar wenste.
De gravin was teruggevonden en stond volledig tot onze dienst.
De ingang naar hier was afgesloten door mijn meest trouwe onderdanen.
De geheime doorgang naar Tristram en de naïeveling Cain was beveiligd.
En ik voelde dat Corpsefire zijn laatste onderdanen naar hem toe was aan het roepen om de laatste slag toe te brengen aan dat miezerig hoopje overlevenden rogues. Lafaards dat het waren. In plaats van te sterven voor dat wat ze al eeuwen bewaakte waren ze op de vlucht geslagen.
Niet dat het veel uitmaakte, ZIJN doel was bereikt en die paar lastige ongedierte dat nog overbleven nam ik voor mijn rekening.
Nog even.
De laatste paar momenten, en dan zou Corpsefire klaar zijn met zijn leger.
Ze waren al verslagen. Enkel de genadeslag moest nog komen.
En dan, dan zou alles hier van mij zijn.
Van mij en mijn meester. Van ons.
Voorgoed verlost van dat ongedierte. Van dat schepsel dat nooit had mogen bestaan. Dat enkel maar was geschapen om onze slaaf te zijn.
Nog even.
Af en toe voel ik nog de aanwezigheid van een extra tegenstander dat de rangen van de rogues kwam vervoegen.
Maar vaak waren ze al afgeslacht tegen de tijd dat ik ze opmerkte.
Zwakkelingen. Allemaal
Ik voel dat Corpsefire zijn leger klaar is.
Bij schemering zal het gebeuren.
De laatste avond der mens in dit gedeelte van de wereld.
De rogues waren verdreven uit hun eeuwenoude thuis.
HIJ had zijn vrije doorgang.
En ik, ik zorgde ervoor dat niets hem achterna kon komen.
Er waren er enkele die het hadden geprobeerd.
Zielige schepsels die vaak nog niet eens kwart van de weg haalde tussen dat zielige bouwsel ze een kamp noemde, hun laatste vluchtplaats dat spoedig compleet van de aarde zou worden weggevaagd, en daar waar HIJ zich bevond.
Alles ging goed.
Mijn onderdanen waren overal.
Zelfs de Malus was gevonden en stond nu onder bewaking van onze meestersmid klaar om alle wapens te maken die HIJ maar wenste.
De gravin was teruggevonden en stond volledig tot onze dienst.
De ingang naar hier was afgesloten door mijn meest trouwe onderdanen.
De geheime doorgang naar Tristram en de naïeveling Cain was beveiligd.
En ik voelde dat Corpsefire zijn laatste onderdanen naar hem toe was aan het roepen om de laatste slag toe te brengen aan dat miezerig hoopje overlevenden rogues. Lafaards dat het waren. In plaats van te sterven voor dat wat ze al eeuwen bewaakte waren ze op de vlucht geslagen.
Niet dat het veel uitmaakte, ZIJN doel was bereikt en die paar lastige ongedierte dat nog overbleven nam ik voor mijn rekening.
Nog even.
De laatste paar momenten, en dan zou Corpsefire klaar zijn met zijn leger.
Ze waren al verslagen. Enkel de genadeslag moest nog komen.
En dan, dan zou alles hier van mij zijn.
Van mij en mijn meester. Van ons.
Voorgoed verlost van dat ongedierte. Van dat schepsel dat nooit had mogen bestaan. Dat enkel maar was geschapen om onze slaaf te zijn.
Nog even.
Af en toe voel ik nog de aanwezigheid van een extra tegenstander dat de rangen van de rogues kwam vervoegen.
Maar vaak waren ze al afgeslacht tegen de tijd dat ik ze opmerkte.
Zwakkelingen. Allemaal
Ik voel dat Corpsefire zijn leger klaar is.
Bij schemering zal het gebeuren.
De laatste avond der mens in dit gedeelte van de wereld.
(supercool)



