FILM & SCHILDERKUNST
An American In Paris – 7/10 (Vincente Minelli, 1951)
Een degelijke MGM Technicolor musical met een magistraal einde, maar wat de aanloop daartoe betreft kan ik weinig echt positiefs zeggen. De clichés van de ‘50s musical zijn absoluut aanwezig en de grapjes zijn best nog te doen. Wat steeds leuk was, waren de referenties naar schilders en andere soorten kunstenaars: ook de spetterende eindscene (gefotografeerd door niemand minder dan John Alton, die onder de noir liefhebbers zeker bekend is) was een lange ode aan Franse schilders. Gene Kelly droomt weg in een schets en alle opeenvolgende sequenties uit de dansscene gebeuren in een decor ontworpen in de stijl van die artiesten.
A Zed & Two Noughts – 7.5/10 (Peter Greenaway, 1986)
Mijn derde Greenaway ervaring en hij zweeft mooi tussen de twee anderen. Het verhaal was absoluut niet even boeiend als in The Cook… of Draughtsman’s Contract, maar toch waren er enkele scenes uit de film die me serieus gaan bijblijven. De mise-en-scene hier is zeker bij de knapste die ik heb gezien in een experimentele film. Maar ik ga niet beginnen met te omschrijven hoe vreemd A Zed & Two Noughts wel is. Mensen die al kennis maakten met Greenaway weten wel wat ik hiermee bedoel.
Caravaggio – 6/10 (Derek Jarman, 1986)
Een film over de gelijknamige schilder, maar er kan niet gezegd worden dat het een straightforward biopic is. Caravaggio omschrijft een deel uit zijn leven en een relatie die had met een van zijn mannelijke modellen (gespeeld door een jonge Sean Bean). De mise-en-scene is schitterend en de fysieke nabootsingen van zijn schilderijen zien er geweldig uit. Maar het dialog trok op niets wat mij betreft en de samenhang tussen de verschillende scenes was echt ondermaats ook. Onnodige anachronismen en een aanslepende traagheid namen veel interesse weg voor mij.
Love Is The Devil: Study for a Portrait of Francis Bacon – 7/10 (John Maybury, 1998)
Verfilming van een tragisch aspect uit het leven van Francis Bacon. De film is hip samengesteld met een duidelijke videoclip-esthetiek: snelle montage en knappe cinematografische truukjes zorgden voor een upbeat tempo en een serieus ritme dat mij wel zeker beviel. De invloeden van David Lynch-films en van Jacob’s Ladder sprongen wel uit het scherm, maar dan in geode smaak. Goede dialogen een goede interpretative van de artsy kringen waar de personages in de film leefden, ware nook zeker pluspunten. De confrontaties tussen Bacon en zijn boyfriend waren anders heel zwak.
The Spirit Of The Beehive – 8.5/10 (Victor Erice, 1973)
Visueel prachtige Spaanse film die een verhaal vertelt over een jong meisje dat opgroeit in een Spaans dorpje ten tijde van het regime van Franco. De film komt bijzonder traag op gang, en eens je beseft waar de film naartoe gaat, pikt het tempo eigenlijk niets op. Maar dit maakt absoluut niets uit, want de mate waarmee het oog gestreeld wordt is werkelijk ongelooflijk. Invloeden van de schilderkunst en de neighing om te gaan karderen aan een venster of een deuropening komt zeer sterk tot uiting hier. Er is ook prachige overheersiong van goudgele inkleuring door het gebruik van de nodige filters en het resultaat is gewoon ongelooflijk.
The Last Of The Mohicans (Maurice Tourneur & Clarence Brown, 1920)
Kan geen cijfer geven want ben een beetje in slaap gavallen

Maar wat ik wel gezien heb was zeker en vast goed; ik ga de film dan ook binnenkort herbekijken.
Master Of The House – 7.5/10 (Carl Theodore Dreyer, 1925)
Deze film was opvallend luchtig en geestig voor een film van Dreyer. Ik heb nog niet al te veel van zijn films gezien, maar hij past wel absoluut binnen zijn oeuvre, ook al weegt die helemaal niet zo zwaar door als Gertrud of Vampyr. Zijn close-ups zijn schitterend end het gevoel van meesterschap dat in zijn films kruipt komt hier zeker tot zijn recht. Het verhaal was ook heel erg leuk: een vrouw wordt met weinig respect behandeld door haar man, die niet beseft hoe veel moeite zij doet voor hem. De man in kwestie wordt door de overige familieleden gestraft hiervoor, wat zorgt voor heel wat grappige maar ook emotionele scenes.
Sayat Nova – 6/10 (Sergei Paradjanov, 1965)
Tja, dit viel er wat aan te komen. Een geslaagde poging van Paradjanov om zijn lokale kunstgeschiedenis en vooral dan het leven van de dichter Sayat Nova in cinematische vorm te gieten. Wat deze dimensie van de film betreft kan ik niet klagen. Maar het uiteindelijke resultaat vind ik gewoon niet mooi. De haast eindeloze reeks van statische taferelen en onnatuurlijke poses deden me niet meteen iets en ik vond bovendien zowat elk shot onaantrekkelijk. Bovendien had ik al heel veel stills van deze film gezien en gezien het statische karakter van elk shot (de shots leken trouwens heel hard op elkaar vond ik) voelde het aan alsof ik de film had gezien. Blij dat ik Sayat Nova nu gezien heb, maar dit zal de laatste keer zijn, me dunkt.
Arsenal – 9/10 (Aleksandr Dovzhenko, 1929)
Hier is het ultieme meesterwerk uit het Zomer Film College (van de films die ik nog nooit had gezien). Mijn eerste kennismaking met Dovzhenko is al meteen een voltreffer. Ik mag dan geen zak afweten van de geschiedenis van de onafhankelijkheidsstrijd in Oekraïne, maar deze film heeft me van het openingsshot tot het laatste shot echt geboeid. Dat de Russen ongelooflijk goed konden monteren, wist ik al. Maar ik had geen enkel idee dat de iconische traditie van Tarkovsky en Sokurov al zo vroeg begon. Het trage begin van de film had al meteen een kwaliteit die het visuele aspect van de film wist te overstijgen en die sublieme ervaring werd heel de film lang aangehouden, zelfs tijdens de ongelooflijk indrukwekkende oorlogssequenties. Fantastisch.