Le Doulos - 9/10 (Jean-Pierre Melville, 1962)
Le Samouraï was erg goed, Un Flic was geweldig, maar Le Doulos is nog een stapje hoger als je het mij vraagt, en met deze film introduceert Melville zich tussen mijn lijstje van favoriete regisseurs. Le Doulos is een absoluut schitterende hommage aan Melville's en mijn favoriete genre/stijl in film: film noir. En Le Doulos is een van die zeldzame non-Amerikaanse films die zo perfect de idealen van film noir weet te omvatten. Hij is lekker duister en stijlvol gefilmd, heeft prachtige titel en de symmetrie van het allerlaatste beeld en het allereerste (het voorwoord) is werkelijk subliem. Jean-Paul Belmondo en Serge Reggiani spelen zeer goed en het is echt schitterend hoe het verhaal hen dichter en dichter bijeenbrengt. Schitterende Franse gangsterfilm die net als Du Rififi Chez Les Hommes meer te danken heeft aan Amerikaanse cinema dan iets anders, maar omdat hij geen rekening hoeft te houden met de Hays code kan Melville zich dingen permitteren die in Amerika (mits uitzondering) niet in een film zouden kunnen komen. Cool as they come.
Videodrome - 8.5/10 (David Cronenberg, 1983)
Het moet weeral eens benadrukt worden hoe Cronenberg een wonderbaarlijk vermogen heeft om zijn uiterst creatieve geest om te zetten in film. De ideeën achter Videodrome zijn, net als bij Crash en Naked Lunch, zo ziek en pervers, dat je niet zou denken dat het mogelijk is om daar een goede film van te maken. Maar met Videodrome weet hij goed genoeg wat hij aan het doen was. Deels een bizarre thriller-turned-horror film die zowel schokt als tevreden stelt, maar deels ook een geweldig geslaagde statement over de alombekende suggestie dat het expliciet tonen van seks en geweld op TV, en de massa-media in het algeneen, een overstimulatie van het individu zou veroorzaken en dus de kijkers zou aanzetten tot gewelddadig of seksueel onverantwoord gedrag. Videodrome is één grote hyperbool van deze stelling en toont ons de zogenaamd schadelijke effecten van die hyperstimulatie, waar de media als televisie en video als het ware een aanhangsel worden van het menselijke lichaam. Wat Cronenberg's uiteindelijke mening is, is mij nog niet geheel duidelijk. Daarvoor is de film net iets te bizar en ga ik Videodrome nog wat tijd geven - een eventuele tweede kijkbeurt. Maar wel is het evident dat Cronenberg het belachelijk vindt dat geweld niet expliciet getoond mag worden. Net als John Carpenter kan je hem niet meteen een aanhanger van de "less is more" stelling noemen: de body gore wordt met de nodige zorg behandeld en is zo goed geplaatst dat je niet anders kan dan het super badass te noemen.
Little Caesar - 7/10 (Mervyn LeRoy, 1931)
Na Scarface en The Public Enemy werd het hoog tijd dat ik nog eens een pre-Code gangster film bekeek, en hoewel ik hem niet even goed vond als de vorige twee, is Little Caesar nog steeds een terechte klassieker. Edward G. Robinson speelt de iconische gangster Rico, die helemaal onderaan de criminele ladder begint, en zich "langzamerhand" naar de top toe werkt. Zijn grootheidswaanzin is uiteraard ook hetgeen dat hem straft. Jammer genoeg wordt dit net niet subtiel genoeg getoond, maar wat overschiet is zeker een degelijk verhaal. Een aanrader, maar bekijk zeker eerst The Public Enemy of Scarface; zeer vergelijkbare films uit dezelfde periode die toch veel beter de test des tijds hebben doorstaan.
Seppuku - 8.5/10 (Masaki Kobayashi, 1962)
Een heel boeiende jidai-geki die, ondanks een net iets te lang uitgerokken 'second act', getuigt van waar meesterschap in het in beeld brengen van de sobere, stille en roerloze code van de samurai binnen de Japanse cultuur. Met alle respect voor deze zogenaamd eervolle code, toont Kobayashi ook de volledige absurditeit aan van wat de Japanners 'eervol' noemen. De film is bijzonder traag opgebouwd, wat de kijker lekker veel tijd gunt om alle hoekjes van het scherm te inspecteren en te beseffen hoe perfect alle composities zijn in deze film. De enige minpunten van de film liggen dan ook in zijn traagheid, maar de intense sleutelmomenten in het verhaal bezorgen een zeker opluchting van de beklijvende sfeer die de film zo goed weet op te bouwen. Masaki Kobayashi's stijl is er dus zeker een die ik kan appreciëren en ik hoop van harte dat zijn gendai-geki net even interessant zullen blijken.
The Parallax View - 7.5/10 (Alan J. Pakula, 1974)
Alan J. Pakula is duidelijk een cineast met een haast obsessieve interesse in corruptie. Klute, The Parallax View en All The President's Men zijn drie films die trachten samenzweringen en corruptie aan het licht te brengen; steeds meer en meer hooggegrepen, met All The President's Men als een hoogtepunt (en zeker ook een van de allerbeste thrillers ooit gemaakt). Maar The Parallaw View mag niet onderschat worden, zeker niet op vlak van cinematografie en mise-en-scene. Gordon Willis maakt hier meer dan duidelijk waar zijn bijnaam "Prince Of Darkness" vandaan komt. De helft van de beelden zijn waanzinnig onderbelicht, waardoor je je enkel een idee kan vormen over het beeld door de kleine oppervlakjes die wel belicht worden. Deze methode zou vermoeiend kunnen zijn voor de kijker, maar ik heb er serieus van genoten: net zoals bij The Godfather (vooral deel II) is dit een goede techniek om de onheilspellende sfeer op te boeuwen die nodig is voor de film. Maar de krachtigste beelden uit de film komen helemaal op het einde; net als bij Nashville komt de tragische, onvermijdelijke climax in een jingoistische omgeving waar de triomf van Amerikaanse politiek wordt gevierd. Een overdondering van rood, wit en blauw gepaard met de afloop van het verhaal toont de geweldig hypocriete aard van Uncle Sam. Oh, en Warren Beatty speelde ook nog goed.