soulreaper zei:
Het enige wat ik heb is een verzoekschrift en volgende briefwisselingen van de advocaat en advocaat van tegenpartij., opgemaakt in augustus 2012, een PV van de politie dat ze niet meer terug naar huis wilt, en ze staat sinds augustus ook ingeschreven in de school waar ze nu les volgt.
Verzoekschrift is opgemaakt in augustus, en moesten eigenlijk pas in Januari van dit jaar voor de rechtbank verschijnen(oproepingsbrief heb ik ook nog). Maar als ik een brief van de advocaat als bewijsstuk bijvoeg, en bewijs van inschrijving school, is dat niet voldoende?
Waar woonde ze daarvoor? Bij de ex-partner veronderstel ik? Waarschijnlijk zal die persoon uw kind ook ten laste willen nemen of is die persoon al akkoord gegaan van niet?. een kind mag maar immers door 1 aangifte ten laste genomen worden.
Brief van de advocaat lijkt me nu niet een sluitend bewijsstuk. Inschrijving school als die van jouw gemeente is al beter. Vooral nuttig zijn bewijsstukken dat jij ingestaan hebt voor de kosten van de voeding, kledij, schoolkosten van het kind gedurende het grootste deel van 2012. Dus rekeninguittreksels, facturen en dergelijke.
Nog beter is dat je dat duidelijk afspreekt met de ex-partner.
Om het wat te staven met wat juridische texten:
Nummer 136/15
De vraag of een kind of een persoon al dan niet deel uitmaakt van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aj., moet in de praktijk worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke en juridische gegevens van ieder geval afzonderlijk.
"Het samenwonen met de belastingplichtige kan worden aangetoond met alle bewijsmiddelen van het gemeen recht uitgezonderd de eed. Het is .v. in beginsel niet noodzakelijk dat de betrokken personen op 1 januari van het aj. ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van de gemeente waar de belastingplichtige zijn woonplaats heeft (Brussel, 2.5.1962, Nelen Mathieu, Bull. 389, blz. 1456 - zie ook PV nr. 478, 25.6.1996, Volksv. Didden, Bull. 765, blz. 2389). "
Nummer 136/14
"Er is gevonnist :
dat het niet voldoende is dat de belastingplichtige volledig in het onderhoud van zijn kinderen voorziet wanneer zij niet met hem samenwonen maar elders verblijven (Cass., 3.7.1956 en 5.11.1957, Van Langenaken, Pas. 1956, I, 1230 en Pas. 1958, I, 233);
dat de wetgever geëist heeft dat de in de wet bedoelde gezinslast, inzonderheid met betrekking tot kinderen, voortvloeit uit hun deelneming aan het "huishouden", d.w.z. aan een met de belastingplichtige gemeenschappelijk gezinsleven, in tegenstelling met de last die, zonder de uitgaven te beïnvloeden welke de belastingplichtige besteedt aan het onderhoud van de personen die zijn huishouden vormen, op zijn algemene begroting drukt wegens de uitvoering van zijn wettelijke verplichting tot onderhoud van zijn kinderen (Cass., 6.11.1956, Petit, Pas. 1957, I, 242);
dat het gemeenschappelijke gezinsleven niet alleen bestaat in het huisvesten, doch tevens in het voeden, het kleden, het verschaffen van onderwijs en het betalen van de kosten wegens ziekte (ibid.);"
"
Alles is te vinden in het Commentaar op de Wetboek van Inkomstenbelastingen 136/5 tot en met 136/20