Op grond van artikel 341 van het W.I.B. 1992 kan de Administratie de belastbare grondslag ramen volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Daartoe vergelijken de controlediensten de tekenen en indiciën die ze in aanmerking nemen (bezit van een luxewagen, aankoop van een huis, inschrijving in speciën op een kapitaalverhoging van een vennootschap...) met de inkomsten van hetzelfde tijdperk. Als de vermogensbalans is opgesteld (het beruchte formulier 301.02) en het bedrag van de te verantwoorden bestanddelen (uitgaven, investeringen en alle andere indiciën) hoger uitvalt dan het bedrag van aangegeven inkomsten voor dat tijdperk, is er sprake van een indiciair tekort. Het bedrag daarvan kan zonder veel problemen geheel of gedeeltelijk worden belast aangezien artikel 341 van het W.I.B. 1992 een wettelijk vermoeden inhoudt over de oorsprong van de inkomsten: de hogere graad van gegoedheid die volgens tekenen en indiciën werd vastgesteld, wordt, behoudens tegenbewijs (vermoeden juris tantum), geacht voort te komen uit belastbare inkomsten die niet werden aangegeven tijdens het belastbaar tijdperk waarin die gegoedheid tot uiting is gekomen (zie inzonderheid Cass., 26 oktober 1965, Bull. Bel., 1966, nr. 434).