Hoofdstuk 8: Cultuurproductie en –consumptie (Bourdieu en velden)
1. Situering teksten
Een variant op het Angelsaksische cultuurproductieperspectief (Peterson & DiMaggio) is de Europese Pierre Bourdieu. Jeej. Hij introduceert met zijn theorie een nieuw vocabulaire (velden, doxa, autonoom versus heteronoom) en kijkt vooral naar de sociologische reflectie op cultuurproductie, niet zozeer de economische benadering. “Or: the economic world reversed.” (Poetics, 1983). Om hier een dieper inzicht te krijgen maken we gebruik van de relationele kijk via velden.
Dit perspectief kan echter ook toegepast worden op consumptie, wat we zien bij de Vlaamse teksten in de syllabus. Ook in Vlaanderen wordt GDA (geometric data analysis of ‘space of position takings’, de methode van Bourdieu) toegepast op consumptie en participatie, bijvoorbeeld door Roose, Van Eijck en Lievens. In de teksten in de reader wordt dit wordt toegepast op leeftijdsgroepen/generatieverschillen.
2. Field of cultural production
2.1 Herhaling velden
Een veld (of champ) bij Bourdieu is een setting waarin agents en hun sociale positie zijn gelokaliseerd. De positie van elke agent is het resultaat van interactie tussen de specifieke regels van het veld, de habitus van de agent en het (sociaal, cultureel en economisch) kapitaal van die agent. Velden staan ook in interactie met elkaar en zijn hiërarchisch georganiseerd.
De velden ontstaan op basis van differentiatie en specialisatie: zo ontstaan verschillende autonome velden (zoals de kunstwereld, het leger,…). Elk veld zelf is ook een ‘field of forces’, waarmee hij bedoelt dat elk veld gekenmerkt wordt door machtsrelaties tussen de verschillende eenheden in het veld zelf, om machtsverhoudingen te veranderen en de eigen positie in het veld te verbeteren. De mogelijkheden om dit te doen worden bepaald door de positie die iemand inneemt in het veld.
2.2 Velden deze cursus
De manier waarop Bourdieu over velden denkt, geeft aan dat hij hierbij een relationele manier van denken hanteert (~ de Saussure, waarbij iets omschreven wordt door het tegenover iets anders te plaatsen). Dit staat tegenover een substantiële manier van denken, waarbij iets omschreven wordt aan de hand van bepaalde eigenschappen.
Het gebruik van velden kan bepaalde netwerken blootleggen. Deze netwerken zijn echter geen traditionele netwerken, Bourdieu gaat er bijvoorbeeld niet van uit dat de personen in een netwerk allemaal contact hebben met elkaar. Deze netwerken zijn enkel gebaseerd op gelijkaardige kenmerken.
Een veld kan dus gezien worden als een gestructureerde ruimte van posities, waarbij de kenmerken van die posities je positie in het veld bepalen, los van het individu die die positie inneemt. In deze structuur staan de machtsrelaties centraal.
Kenmerkend voor velden is de homologie tussen:
- veld van ‘positions’: hangt samen met de verdeling van kapitaal, de hoeveelheid en de structuur
- veld van ‘prises de positions’ of ‘position takings’: de manifestatie van de positie of de waarneembare effecten, bijvoorbeeld artistieke werken, ideeën, handelen,… Dit is onlosmakelijk verbonden met de positie.
Tussen deze twee velden staat het concept habitus: die zorgt ervoor dat een bepaalde positie al dan niet kan ingenomen worden.
Een ander kenmerk van velden is dus de continue machtsstrijd: “the specific forms of which have to be looked for each time, between the newcomer who tries to break through the entry barrier and the dominant agent who will try to defend the monopoly and keep out competition.” (Bourdieu, 1993:72). Deze strijd gaat over een bepaalde inzet of belangen: de kapitaal en de definitie van dit kapitaal (mensen willen een monopolie om zo een veld te kunnen definiëren). Afhankelijk van het veld wordt er over andere dingen gestreden, de strijd is dus specifiek voor elk veld. Tegelijk is deze inzet de structuur van het veld zelf.
Bijvoorbeeld: in het parlementaire veld willen de oude traditionele politici kunnen zeggen wat het betekent om ‘een goed politicus’ te zijn. Deze definitie wordt echter continu aangevallen door de nieuwere politici die het veld binnenkomen.
2.3 Velden en kunstanalyse
Hoe moet kunst dan geanalyseerd worden? Met betrekking tot kunstwaardering zijn er verschillende dilemma’s:
Waarden we het kunst werk intern (het kunstwerk op zich) of extern (in relatie tot andere kunst)? Moet er gekeken worden naar de sociale condities van de productie, of de vraag van het publiek. Zien we kunst als een belangeloze uiting van een charismatisch individu (de kunstenaar), of reduceren we kunst tot een simpel mechanisme van vraag, waarden van het publiek of een opdracht van het mecenaat?
In het veld van de culturele productie wordt een specifieke economie gehanteerd, waarbij er net wordt gesteld dat kunst niets met economie te doen heeft. Precies dit soort denkbeelden is een onderdeel van de machtsstrijd en veldlogica.
Een waardeoordeel over bijvoorbeeld een kunstwerk kan op twee verschillende principes worden gemaakt:
- autonoom: volgens principes eigen aan het veld, de regels die de dominante groep oplegt aan de rest van het veld
- heteronoom: volgens principes buiten het veld, wat niet eigen is aan het veld maar er wel een invloed op uitoefent. Bijvoorbeeld: het literair veld draait om wat goede literatuur is. Tegelijk ligt het literaire veld binnen het economische veld, waardoor een goed boek juist een boek is dat veel geld opbrengt, onafhankelijk van of het goed geschreven is of niet.
Wanneer iets als vanzelfsprekend wordt geacht, binnen of buiten een veld, heeft Bourdieu het over een doxa: “The humanist instances of Bourdieu's application of notion of doxa are to be traced in Distinction where doxa sets limits on social mobility within the social space through limits imposed on the characteristic consumption of each social individual: certain cultural artifacts are recognized by doxa as being inappropriate to actual social position, hence doxa helps to petrify social limits, the "sense of one's place", and one's sense of belonging, which is closely connected with the idea that "this is not for us" (ce n´est pas pour nous). Thus individuals become voluntary subjects of those incorporated mental structures that deprive them of more deliberate consumption. Doxa and opinion denote, respectively, a society's taken-for-granted, unquestioned truths, and the sphere of that which may be openly contested and discussed.”
Positie van het artistische veld binnen andere velden (field of power – field of class relations):
“The heteronomous principle of hierarchization, which would reign unchallenged if, losing all autonomy, the literary and artistic field were to disappear as such, is success, as measured by indices such as book sales, number of theatrical performances, etc. or honours, appointments, etc.”
“The autonomous principle of hierarchization, which would reign unchallenged if the field of production were to achieve total autonomy with respect to the laws of the market, is degree of specific consecration (literary or artistic prestige), i.e. the degree of recognition accorded by those who recognize no other criterion of legitimacy than recognition by those whom they recognize.”
Het punt van Bourdieu is dat de criteria die onderscheiden wat kunst is of moet zijn, net de grenzen van het veld bepalen. Wat goede of slechte kunst, wie we wel of niet als kunstenaar beschouwen, dat is net waar het monopolie om culturele legitimiteit te definiëren over gaat.
“The field of cultural production is the site of struggles in which what is at stake is the power to impose the dominant definition of the writer and therefore to delimit the population of those entitled to take part in the struggle to define the writer.”
Hierbij zijn drie principes in continue strijd:
- visie op kunst volgens de producten zelf: art for art’s sake
- visie op kunst volgens de bourgeouis smaak: de salons, de Academie, de ethische kijk op kunst
- visie op kunst volgens populariteit: de keuze van de massa
Individueel gezien wordt de mogelijkheid tot het uittekenen van je sociaal traject beïnvloed door het al dan niet bezitten van sociaal en economisch kapitaal. Wanneer je echt voldoende van dit soort kapitaal bezit, biedt dit ook garanties op vrijheid.
3. La Distinction in Vlaanderen: cultuurdeelname
Om na te gaan op welke manier hedendaagse culturele levensstijlen samengaan met onderscheiding (‘distinction’) of een cultuur van openheid wordt in deze studie van Roose, Van Eijck en Lievens de structuur van culturele levensstijlen in Vlaanderen in kaart gebracht. Hiervoor wordt enerzijds gebruik gemaakt van data over cultureel gedrag dat gesteld wordt (participatie) en anderzijds van data over disposities (wat men belangrijk vindt in culturele activiteiten). Om de specifieke ‘position takings’ (disposities) en ‘positions’ (kapitaal) na te gaan wordt er gebruik gemaakt van een specifieke techniek: GDA of Geometric Data Analysis. Dit is een correspondentie-analyse die bij uitstek kan gebruikt worden om relationele verbanden na te gaan.
Uit het onderzoek blijkt dat er drie verschillende structurerende dimensies onderscheiden kunnen worden:
- de as engagement – disengagement: een actieve, open-minded levensstijl vesus een meer passief huismusserige manier van leven. Deze as blijkt gerelateerd te zijn aan het totaal volume van kapitaal; het zijn vooral de hogere inkomens en opleidingsniveaus die geëngageerd zijn. Ook blijkt dat jongeren hoger scores op de engagement-as dan ouderen.
- de as highbrow – action: contemplatie en voorkeur voor de traditionele kunsten versus een voorkeur voor avontuur en actie. Ook hier is er een onderverdeling naar leeftijd; het zijn vooral de jongeren die actie en avontuur waarderen.
- de as neutraal – open: een neutraal standpunt versus openstaan ten opzichte van nieuwe ervaringen. Uit deze as blijkt dat het vooral de post-babyboom (vrouwelijke) professionelen met een hoog cultureel kapitaal zijn die open staan ten opzichte van nieuwe ervaringen. Jongeren richten zich meer op de populaire cultuur om hun openheid te bevredigen, terwijl de ouderen met een laag cultureel kapitaal hun openheid meer manifesteren op een waardige, cognitieve manier, door bijvoorbeeld musea te bezoeken.
Uit de derde as blijkt dat een openheid ten opzichte van nieuwe ervaringen dus op verschillende manieren kan uitgedrukt worden, afhankelijk van de groep waarin de openheid zich manifesteert. Vooral leeftijd en de hoeveelheid cultureel kapitaal blijken hierbij belangrijk te zijn.
In de tweede studie ‘Signs of emerging cultural capital: analysing localised symbolic struggles using Class Specific Analysis’ gaat Roose verder op dit concept. Bourdieu stelde dat er een verband is tussen de cultuur en de sociale structuur, die tot stand gebracht wordt door de habitus. Wanneer je zijn analogie van disposities erbij neemt, lijkt het erop dat een dispositie in één domein gelijk zal lopen met disposities in andere domeinen. Een bepaalde culturele consumptie markeert dan je eigen positie in de sociale structuur. Eén cultureel teken zou voldoende zijn om je sociale positie bekend te maken.
Roose vermoedt echter dat de highbrowcultuur als culturele marker achterhaald is en dat omnivoriteit tegenwoordig belangrijker is wat dit betreft. Met andere woorden: de symbolische waarde van een cultureel product of praktijk is niet hetzelfde voor iedereen. Als vervolg op de vorige studie kijkt Roose hier vooral naar leeftijdscohortes. Om dit na te gaan construeert hij een tweedimensionale sociale ruimte die culturele praktijken relateert aan posities in de sociale hiërarchie.
Hierop baseert hij zich op het concept van emerging social capital: een uiting van cultuur die vooral bij jongeren voorkomt en hedendaags, scherm-gericht, Anglo-kosmopolistisch, commercieel en ironisch is. Volgens Roose zou dit soort kapitaal voor jongeren een belangrijkere culturele marker vormen dan de klassieke schone kunsten. Bourdieu stelde dat de schone kunsten een universele distinctieve kracht hebben, maar er zijn maar weinig jongeren die een bepaalde status halen uit een museum bezoeken.
Uit de analyse blijkt dat diverse sociale segmenten binnen de bevolking inderdaad verschillende ‘sociale markers’ hanteren. Voor de ouderen uit het onderzoek staan de schone kunsten nog steeds centraal als distinctieve kracht. Zij hebben geen afkeer van geconsacreerde kunst, noch voor de avant-garde. Zij hebben eerbied en achting voor de schone kunsten en dit is onderdeel van hun openheid, van hun bereidheid om geconfronteerd te worden met nieuwe ervaringen.
Jongeren daarentegen onderscheiden zich eerder met sociale krachten zoals televisie, reizen, sport en kunst. Ze hebben echter een houding van afkeer tegenover schone kunsten. Net hun voorkeur voor avant-garde zoals dadaïsme, het surrealisme, popart en impressionisme vormt deel van hun avontuurlijke dispositie, niet de schone kunsten.
De conclusie is dus dat de kunsten nog steeds centraal staan in de structurering van de sociale ruimte, maar de symbolische waarde verschilt volgens leeftijd (of sociale segmenten in het algemeen).