Ik heb de 4 hier opgenoemde camera's even op een rijtje gezet
hier. Dat maakt het wat makkelijker om de verschillen te kunnen zien:
De Sony en de Panasonic hebben de kleinste sensoren (1/2,5"). De sensor is een rechthoekige chip die licht omzet in elektriciteit. De sensor is ingedeeld in rijen en kolommen en iedere cel stelt een pixel voor. Het spreekt voor zich dat iedere pixel groter is op een grotere sensor dan op een kleinere (bij een gelijk totaal aantal pixels). Hoe groter de oppervlakte van een pixel, hoe meer licht erop kan vallen. Dat zorgt ervoor dat de camera beter kan presteren bij weinig licht.
De Fuji heeft een iets grotere sensor dan de Canon (1/1,7" vs. 1/1,8"). De Fuji heeft echter 6 miljoen pixels in vergelijking met 8 miljoen op de Canon. Verder gebruikt Fuji een zgn.
SuperCCD sensor. Daar zijn de pixels iets anders georganiseerd waardoor de oppervlakte per pixel nog iets groter is dan bij normale sensoren.
Dit is de verklaring waarom de Fuji zo abnormaal sterk presteert bij weinig licht.
Het tweede belangrijkste punt is het objectief. De Panasonic heeft een 6x zoom, de Canon een 4x en de overige 2 een 3x. Voor binnen-fotografie heb je véél meer aan een breedhoek dan aan een tele-zoom. Wat dat betreft zijn alle toetsellen ongeveer evenwaardig (gemiddeld zo'n 37mm).
Een volgend punt van het objectief is de lichtsterkte ervan (dat is een maat voor de hoeveelheid licht die door het objectief kan komen). Dit wordt aangegeven door de maximale
opening van het diafragma. Het wordt aangegeven door de zgn. f-stop. Een groter f-getal duidt op een kleiner diafragma (en minder lichtsterkte). Hoe meer licht het objectief doorlaat, hoe korter de sluitertijd moet zijn om voldoende licht binnen te laten. Dat heeft als voordeel dat je minder last zal hebben van bewegingen van je hand of van het onderwerp. Bij zoom-objectieven zie je meestal 2 f-getallen aangegeven: de eerste op breedhoek en de andere op tele. Op breedhoek zijn alle toestellen even lichtsterk. Op tele zijn de Canon en de Panasonic de lichtsterkste.
De Panasonic beschikt als enige over beeldstabilisatie. Dat helpt bij het trekken uit de hand door bewegingen van je hand wat tegen te werken. Daardoor kan je een iets langere sluitertijd gebruiken dan zonder beeldstabilisatie. Besef echter dat beeldstabilisatie geen wondermiddel is: het werkt enkel bewegingen van je eigen hand tegen, niet die van je onderwerp (mensen binnen zal je daardoor niet scherp krijgen)!!
Je moet weten dat geen enkele sensor in staat is om grote helderheidsverschillen goed weer te geven in 1 beeld. We zeggen dat een digitale camera een bepert "dynamisch bereik" hebben. Indien je een foto wil trekken van een persoon met daarachter de zon, dan zal je merken dat kan je ofwel een duidelijke persoon zien met een witte achtergrond, ofwel een duidelijke zon met een zwarte persoon. Welk van de twee resultaten je zal krijgen hangt af van hoe de belichting gemeten werd. Die belichtingmeting dient concreet om te bepalen welke sluitertijd moet gebruikt worden en/of om het te gebruiken diafragma te bepalen wordt de hoeveelheid licht gemeten op de foto.
De belichting kan gemeten worden als gemiddelde van de belichting van de hele scène ("matrix-metering"), of die kan gemeten worden in een zone dicht bij het midden van de foto ("center-weighted metering")ofwel kan die enkel op het middelpunt van de foto gemeten worden ("spot-metering"). De belichting kan je meten op het moment dat je de sluiterknop indrukt, of je kan die op voorhand meten en vergrendelen en pas nadien trekken. Dat laatste is belangrijk om zelf te bepalen welk onderwerp je gedetailleerd wil zien.
De Canon en de Sony ondersteunen alle belichtingsmethodes; de Fuji en de Panasonic ondersteunen enkel matrix-metering.
De Canon en de Fuji hebben manuele modi (sluitervoorkeuze & diafragmavoorkeuze); de Sony en de Panasonic werken enkel vol-automatisch.
De Canon beschikt over een kantelbaar scherm. Dat is interessant om zelfportretten te trekken of voor het trekken boven je hoofd (bv. terwijl je tussen een mensenmassa staat).