Cranberry
Legacy Member
Ik heb morgen mijn examen Narratologie, ik beheers de theorie ondertussen wel, maar de toepassing laat nog wel te wensen over...
Zo heb ik een examenvoorbeeld waarbij de vraag luidt:
"Op welke (2) manieren kan een auteur zijn verteller betrouwbaar/onbetrouwbaar maken?"
ik weet dat een intradiëgetische homodiëgetische verteller onbetrouwbaar kan zijn door het feit dat we niet weten of hij de waarheid verteld, we kunnen nooit zeker weten of de informatie ook klopt met de werkelijkheid, omdat de verteller een leugenaar of een fantast kan zijn...
Maar hoe beantwoord ik daar nu die vraag mee?
Door een andere vertelvorm te kiezen kan hij de verteller betrouwbaar maken en door een intradiëgetische homodiëgetische verteller te kiezen maakt hij de verteller onbetrouwbaar?
Zo heb ik een examenvoorbeeld waarbij de vraag luidt:
"Op welke (2) manieren kan een auteur zijn verteller betrouwbaar/onbetrouwbaar maken?"
ik weet dat een intradiëgetische homodiëgetische verteller onbetrouwbaar kan zijn door het feit dat we niet weten of hij de waarheid verteld, we kunnen nooit zeker weten of de informatie ook klopt met de werkelijkheid, omdat de verteller een leugenaar of een fantast kan zijn...
Maar hoe beantwoord ik daar nu die vraag mee?
Door een andere vertelvorm te kiezen kan hij de verteller betrouwbaar maken en door een intradiëgetische homodiëgetische verteller te kiezen maakt hij de verteller onbetrouwbaar?
zever is me dat. Ik vrees dat je op dit forum beter geholpen wordt als je een nuttigere wetenschap bestudeert en dáár vragen over stelt.