dit is de opgave die in een bundel staat als voorbereiding op het toelatingsexamen:
Men vertrekt van AaBb en AaBb. De koppelingsgraad voor aB is 80%, wat is de kans op a.b. (dit vind ik al zeer onduidelijk) bij kruising van AaBb met AaBb.
Ik begin aan deze oefening volgens Morgen en maak mijn punetrooster;
AB Ab aB ab
AB AABB AABb AaBB AaBb
Ab AABb AAbb AaBb Aabb
aB AaBB AaBb aaBB aaBb
ab AaBb Aabb aaBb aabb
Dan is er gegeven dat de koppelingsgraag gelijk is aan 80%. Nu zit ik echter vast, ik weet niet of ze bedoelen dat er bij 80 van de 100 crossing-over gebeurt, of bij 20 van de 100.
Ik herinner me nog dat het ook iets te maken heeft met het feit dat je heterozygoot of homozygoot bent, maar ik begrijp er eigenlijk helemaal niets meer van..
Bedankt dat je me wil helpen
