Een digitale camera neemt legt een foto vast op basis van een sensor. De sensor is rechthoekig en verdeeld in rijen en kolommen. Ieder van de zo gevormde cellen bevat een mini-lichtcel (er is 1 zo'n lichtcel per pixel in de uiteindelijke foto), vergelijkbaar met deze in rekenmachines. Hoe meer licht er valt op een lichtcel, hoe meer elektriciteit de lichtcel produceert. Door in een volgende stap de stroomsterkte te meten van iedere lichtcel, kan bepaald worden hoeveel licht erop viel en kan de foto opgebouwd worden.
Lichtcellen waar geen licht op valt produceren echter ook een zwakke stroom (die we "ruis" noemen). In normale omstandigheden is deze stroom echter zó zwak dat die niet opgemeten wordt. Wanneer de hele foto echter te donker uitkomt (t.t.z. wanneer de stroom van de cellen te laag uitkomt), dan wordt de stroom van alle cellen echter versterkt vóór het gemeten wordt (de mate van versterking wordt aangeduid door de ISO-waarde). Ook de zwakke ruis wordt versterkt en kan daarom ook opgemeten worden waardoor het zichtbaar wordt in de uiteindelijke foto.
Het spreekt voor zich dat je minder versterking zal moeten toepassen als je meer licht op de cellen laat vallen. Er bestaan 3 manieren om meer licht op de cel te laten vallen:
- De scène sterker verlichten: dit kan o.m. door te flitsen. Flitsen is echter altijd beperkt en heeft soms vervelende bijwerkingen (rode ogen, zeer donkere en onnatuurlijke schaduwen, ...). Bovendien is de sterkte van een flitser altijd beperkt (op de meeste compact-camera's halen die niet meer dan ongeveer 8m).
- Grotere lichtcellen gebruiken: er valt meer licht op een grote cel dan op een kleine cel. Om de cellen groter te maken zijn er 2 mogelijkheden: de sensor zelf groter maken en/of het aantal lichtcellen op de sensor verlagen zodat iedere lichtcel meer oppervlakte inneemt. Zie bijvoorbeeld deze vergelijking tussen een camera met kleine sensor en veel pixels (Panasonic FZ50) en een camera met een grote sensor en iets minder pixels (Canon EOS 350D).
- Een objectief gebruiken dat meer licht doorlaat: in de specificaties van een objectief zie je 2 getallen staan die aangeven hoeveel licht het objectief doorlaat. Er worden gewoonlijk 2 getallen opgegeven: de eerste bij minimale zoom-instelling en de tweede bij de maximale zoom-instelling. Deze getallen zijn breuken (bv. f/2,8, f/5,6) en er wordt meer licht doorgelaten naarmate het getal in de noemer lager is. Jammer genoeg is er een beperking aan de hoeveelheid licht die zo doorgelaten kan worden. Ook kan een objectief nooit meer licht doorlaten dan er licht aanwezig is in de omgeving...
Wil je weinig ruis, dan zoek je dus best een camera met:
- ... een grote sensor met niet te veel pixels (alles vanaf 6 MP is tegenwoordig ruimvoldoende voor, zelfs vrij grote, afdrukken). Zoek de specificaties van een camera die je interesseert hier op. De sensor-grootte staat opgegeven in de grootte van de diagonaal van de sensor. Dat staat gewoonlijk in breukvorm (dus hoe lager het getal in de noemer, hoe groter de sensor).
- ... een zo lichtsterk mogelijk objectief: de f-waardes van het objectief staan eveneens in de specificaties van de camera vermeld.
- ... een degelijke flitser (ook het bereik van de flitser staat in de specificaties opgegeven).
Hier zie je de specificaties van je Nikon 3200 en 2 andere, interessante, camera's naast elkaar.
De
Fuji F40fd (ongeveer
EUR 150,00) heeft grote sensor met beperkt aantal pixels (1/1,7" - 8 MP) en een degelijke flitser (6,5m). Het objectief is lichtsterk op de kleinste zoom-instelling (f/2,8), maar minder op de hoogste zoom-instelling (f/5,1). De F40fd mist ook manuele instelmogelijkheden en andere handige features zoals een kantelscherm.
De
Canon PowerShot A630 (weliswaar boven je budget, maar wel best interessant @
EUR 270,00) heeft ongeveer dezelfde specificaties als de F40fd maar voegt manuele opties toe evenals een kantelscherm en een optische zoeker.