den·ken1 (onov.ww.)
1 het verstand gebruiken, zijn gewaarwordingen ordenen, een oordeel vormen
den·ken2 (ov.ww.)
1 als beeld van de werkelijkheid hebben => de mening huldigen dat..., de mening zijn toegedaan dat..., een standpunt huldigen, het gevoel hebben dat..., van mening zijn dat..., zeggen, zoiets hebben van...
2 in aanmerking nemen => bedenken
den·ken aan (ww.)
1 in gedachten hebben => iem./iets gedachtig worden, zijn gedachten laten gaan over iets
den·ken om (ww.)
1 rekening houden met
den·ken over (ww.)
1 van plan zijn