1. Ge neemt 20 kaarten en verdeelt die in 10 paren.
2. Ge zegt tegen één of meerdere personen dat ze in gedachten een paar moeten uitkiezen.
3. Ge neemt de paren op (nie schudden want dan hebt ge 1 kans op 2 van een probleem te hebben

)
4. Ge legt de paren volgens deze woorden :
MUTUS
DEDIT
NOMEN
KOKIS
zoals ge ziet komt elke letter slechts twee keer voor. Dus is de bedoeling da ge de paren volgens deze letters legt. BV. als een paar uit schoppenboer en koekenaas bestaat, dan legt ge de schoppenboer op de m van mutus, en de koekenaas op de m van nomen. Uiteraard met de goede kant naar boven.
Oefen hier goed op, het moet lijken alsof ge de kaarten willekeurig zomaar ergens legt, te lang twijfelen wekt argwaan.
5. Ge vraagt uw cliënten om te zeggen in welke horizontale rij (of rijen) de kaarten leggen (daarom is het van belang dat ge de 'woorden' onder elkaar legt.
6. Aan de hand van de letters die overeenkomen in die rij(en kunt ge zien welke kaarten dat het zijn.
Bv. Zegt hij : rij 1 en rij 2, de enige overeenkomstige letter tussen mutus en dedit is de t, dus de kaarten die op de plaats van de t liggen zijn het paar.
Zegt hij rij 4; de letter K komt tweemaal voor in het woord kokis, daarom is k &k het paar!
Veel plezier ermee!